Aan de wandel met opa

27 juni 2020

Column: Jac Buchholz | Beeld: Peter Janssen

Op 29 maart, het lijkt alweer een eeuwigheid geleden, maakte ik een wandeling door de Venlose binnenstad. Zondagmorgen, twee weken na de lockdown. De straten waren meer dan uitgestorven. Zelfs op een zondagmorgen in de jaren zeventig, mijn jeugd, was het niet zo stil.

Ik liep rond met de mobiele telefoon in de hand, de camera gericht op de straten voor me. Waarom? Om een videofilmpje voor moeder te maken. Die mocht voorlopig, zo wisten we, niet buiten de deur komen van het verpleeghuis waar ze verblijft – en wij mochten er niet in. Dus waren we op dat moment aangewezen op videobellen en video’s. Mijn broer had er een gemaakt voor als ze ’s morgens wakker werd, familie uit Amsterdam had een beeldbericht verzonden en ik besloot de stad waar we zo vaak met haar wandelen te filmen. Het was een van de weinige sombere dagen van dit voorjaar, met op een gegeven moment zelfs natte sneeuw. Hoop dat ze het desolate filmpje niet vaak heeft gezien. Gelukkig kunnen we sinds kort weer bijna gewoon met haar aan de wandel.

Over wandelen gesproken: sinds vandaag kan er weer worden deelgenomen aan stadswandelingen. Die lagen vanwege dat ellendige virus ruim drie maanden stil, maar ook wat dat betreft keren we terug naar het oude.

Zelf doe ik het vaak, heel vaak, een korte of langere wandeling maken door de straten van Venlo. Soms neem ik mijn opa mee, overleden in 1974. Vraag ik me af wat hij nog wel en wat niet zou herkennen. Wat hij, Venlonaar in hart en nieren, van het huidige Venlose centrum zou vinden.

De Jodenstraat, zijn Jodenstraat, zou hij zonder meer herkennen. Maar wat zou hij van die beelden vinden? ‘Ein beeldje veur Marokko, veur Baer de Woers, die schörgers…’ Hij zou er smakelijk om hebben gelachen. Wat minder vrolijk zou hij zijn over de Wijngaardstraat die geen echte straat meer is, maar een verlengde van de Kwartelenmarkt waardoor dat plein zijn intimiteit wat heeft verloren. À propos Kwartelenmarkt; ‘Zit dae van Bröcker dao nog?’ Nee, opa, daar zit nu allemaal horeca.

Ik denk dat opa achterover zou vallen van de Romertoren – ‘Wat mot det dink dao’ – en het havengebied zou hij al helemaal niet meer herkennen. Bedenk dat grootvader van 1899 was en op die havenkades de mensen nog heeft zien werken. Keihard werken. Heel wat anders dan loom op een terrasje zitten luieren.

De markt even verderop zou ook volledig onherkenbaar voor hem zijn. Een plein compleet gevuld met terrassen waar vroeger auto’s stonden. En De Maaspoort. Dat is de opvolger van De Prins van Oranje, opa. Hier worden nu theatervoorstellingen gegeven. Oma heeft er nog lange tijd met de neus vooraan gezeten. En De Prins? ‘Aafgebraoke? Zon moeij gebouw? Det waas toch van dae bekinde architek, Berlage…?’

Dan nog even naar Q4, ook bekende grond voor opa, die onder meer aan de Bolwaterzaak een kapsalon heeft gehad. Daar werd mijn vader geboren. Die Bolwaterstraat, die zou hij als straat nog wel herkennen. Maar de rest van de wijk…

Na zo’n wandeling met opa realiseer ik me dat hij zich in grote delen van de binnenstad een vreemdeling in Venlo zou voelen. Maar goed ook, denk ik dan, want stilstand is achteruitgang. Al stemt het me wel eens weemoedig, want een deel van wat is verdwenen was zeker van waarde. Vraag me soms ook af hoe ik het Venlo van over pakweg 100 jaar zou beleven. Wellicht op dezelfde manier als opa.

Oh ja, tijdens mijn wandelingen met opa door de stad laat ik mijn mobiele telefoon in mijn broekzak. Hem uitleggen wat dat voor ding is en hoe het werkt bewaar ik voor een andere rustige zondagmorgen.

Terug