Bij Jocus Toekôms leert de jeugd Vastelaovend vieren

3 februari 2021

Jocus Toekôms is niet alleen Nederlands oudste jeugdcarnavalsvereniging, maar is tevens een instituut dat telkens weer opnieuw kakelvers podiumtalent weet voort te brengen. Of het nu toekomstige organisators zijn, zang- en buuttalenten of toekomstige prinsen; bijna allemaal hebben ze het kunstje geleerd bij deze bijzondere vereniging. Alle reden om in een drieluik terug te kijken naar de ontwikkelingen in de eerste decennia.

Tekst: Rob Buchholz | Beeld: Leon Vrijdag, archief Henk van Hoften en Jocus Toekoms

Sinds Vastelaovend 2015 is Jocus Toekôms officieel onderdeel van Jocus en vindt het uitroepen van de nieuwe Prins met zijn adjudanten plaats tijdens het Matinée Musical in een bomvolle Maaspoort. Vicevoorzitter Mark Rietra zegt daarover: “Voor alle prinsen, prinsessen plus adjudanten van de afgelopen jaren was dat een fantastische ervaring. Zij hadden telkens een paar dagen nodig om bij te komen. Dankzij Jocus kunnen wij groeien.”

Jeugdpatronaat
We gaan terug naar 1951, een tijdperk dat er nog relatief weinig vertier was. Bij het jeugdpatronaat aan de Noord Binnensingel zijn de jongens onrustig. Ze willen meer dan een potje pingpong of toneelstukken opvoeren. Ze willen vooral graag op hun manier Vastelaovend vieren. Helaas, dat plan is tegen het zere been van de kerk. Maar één van de meest gedreven leden uit die periode, Jan Pollux, laat het er niet bij zitten. Hij legt het voorstel neer bij de toenmalige Vorst Joeccius XI van Jocus Toon Schrijnen. Door zijn gesprek met de Deken mag de jongensclub toch een eigen Vastelaovesvereniging oprichten en met de optocht meelopen.

De Kraosers
Ze schrijven zich in als De Kraosers, maar bij alles wat ze doen, imiteren ze de leden van Jocus. Mutsen, kragen en zelfs een prinsenwagen. Daarin slagen ze dusdanig goed dat het publiek langs de kant diverse keren roept: ‘Kiek det is Jocus Toekôms.’ En daarmee was een nieuwe naam geboren. Jac Driessen werd de eerste Prins en vanwege zijn bijnaam, D’n Ties kreeg hij de naam Prins Ties d’n 1e. De eerste Vorst van de jeugdvereniging Huub Dirks liet zich in latere interviews nog wel eens ontvallen: “Eigenlijk waren we maar een armoedig stelletje. We hadden een platte houten boerenkar plus paard. Daarop bouwden we een stellage van karton, oude gordijnen en golfplaten. Dat was het.”

Groeispurt
Maar het initiatief van de jongensclub sloeg aan in Venlo. Zoals gezegd, de jeugd van begin jaren 50 was blij met iedere vorm van entertainment en amusement. De mens was eenvoudiger, eerder tevreden en men lachte nog om iedere scheet. Ondanks de beperkte mogelijkheden maakte de vereniging een enorme groeispurt. De jongensclub verhuisde eind jaren 50 naar het Ald Weishoes en niet veel later mochten ook de eerste meisjes lid worden van Jocus Toekoms.

Henk van Hoften

 

Rebellenclub
Dat de leden van de jongensclub zich als een soort namaak Jocus presenteerden was voor de grote broer vele jaren een doorn in het oog. Jocus Toekôms werd gezien als een rebellenclub en de leden waren trots op. “Ja, wij deden gewoon ons ding en waren daarbij inderdaad best wel rebels,” zo kijkt Henk van Hoften met een lach terug op die eerste jaren. Van Hoften is één van de leden van het eerste uur en maakte de groei heel bewust mee. “We maakten kragen van karton met watten erop en bouwden een wagen met daarop de tekst Jocus in d’n dop. Nee, daar was Jocus vanzelfsprekend niet blij mee. Ook niet met het succes van onze jeugdzittingen.”

Jan Mans
Van Hoften was 13 jaar toen hij lid werd van Jocus Toekoms. Jan Pollux was volgens hem één van de meest gedreven en bezige leden uit die beginjaren. Maar ook de naam van Jan Mans mag volgens Van Hoften niet onvermeld blijven. “Hij was het hoofd van de jongensclub en tot aan zijn dood bleef hij de drijvende kracht, ook in de jaren van de groei in het Ald Weishoes. Nee, Jan Mans was in het begin niet te spreken over onze plannen, maar heeft Jocus Toekoms daarna wel in zijn hart gesloten. Zowel het patronaat als het Weishoes waren zijn tweede thuis.”

Slaatjes
Voor de succesvolle jeugdzittingen verkochten de leden van de jongensclub Sint Martinus kaartjes a vijftig cent. Van Hoften weet zich nog te herinneren dat de eerste Venlose Hofkapel gevraagd werd om de zitting muzikaal te ondersteunen. “Die vroegen gewoon keihard 80 gulden. Dat was voor ons gewoon heel veel geld. Daarom was het belangrijk om extra inkomsten te genereren. We maakten slaatjes om in de pauze voor één gulden te verkopen en bewaarden die bij mijnheer Minten, de beheerder van het patronaatsgebouw in de gang. Daar was het koel. Op het moment dat de slaatjes werden opgehaald was het daar echter één bende geworden. Iemand had er dwars doorheen gelopen. Mijnheer Minten wist van niks zei hij, maar zowel zijn broekspijpen als schoenen zaten vol met petatteslaaj.

‘t Feepke
Als tegenhanger van De Traöt van Jocus maakten de leden van de jongensclub ook hun eigen Vastelaoveskrant: ‘t Feepke. “Daarom stonden gewoon eigen tekeningen en handgeschreven teksten. Ook organiseerden we een soort van Leedjesaovend en zongen we eigengemaakte Venlose teksten op bestaande melodieën van Nederlandse, Duitse of Engelse liedjes. Gewoon voor de lol. En ja, alles was in de stijl van Jocus.”

Joetse
Het succes van Jocus Toekoms was groot. Niet alleen waren de zittingen uitverkocht, ook het vinden van raadsleden of prins en adjudanten was nooit een probleem. Er was voldoende aanwas. “De mensen hadden in de jaren 50 en begin jaren 60 weinig vertier. Een echte kinder- of jeugdvastelaovend zoals we die tegenwoordig kennen, was er echter ook niet.” Wat deed jullie generatie met Vastelaovend? “Na de optocht gingen we de stad in. Echt joetse van ut Gaasplein wies t Viaduc. Zoals daar ook in liedjes over wordt gezongen. Of we gingen naar het huis van de Prins of Jan Pollux waar we limonade kregen. Maar het werd nooit later dan 8 of 9 uur.”

Leerschool
Toen Van Hoften eind jaren 50 in dienst ging, was het vanzelfsprekend gedaan met zijn lidmaatschap van Jocus Toekoms. Toch bleef hij de vereniging als vrijwilliger steunen en verzorgde onder andere de begeleiding tijdens Vastelaovend. In 1964 leerde hij in t Ald Weishoes zelfs zijn vrouw kennen. “Ik was trainer van de tafeltennisvereniging en zij van de badmintonclub. Ja het sociale aspect was groot. Ik kijk dan ook met veel plezier terug op die jaren. Ik heb er inderdaad geleerd om Vastelaovend te vieren en met die kennis heb ik mij later weer vele jaren ingezet bij De Wien. Maar dat geldt eigenlijk voor heel veel Venlonaren.”

Sociale aspect
Ook Herm Pollux leerde zijn vrouw in het Ald Weishoes kennen. We spreken inmiddels over eind jaren zestig en het was de tijd dat dames als dansgarde bij Jocus Toekoms werden toegelaten. Het sociale aspect is volgens Herm van groot belang voor het succes van Jocus Toekoms. “We troffen elkaar het hele jaar door in het Ald Weishoes. Daardoor waren wij een heel hechte vriendengroep. Dat was gewoon ruig.” Pollux noemt een voorbeeld. “De hele groep werd altijd bij de jeugdprins thuis uitgenodigd. Echter één lid mocht een keer niet mee. Hij moest van zijn moeder schoonmaken. Daarop zijn we met de hele groep naar hun huis op de Herungerstraat vertrokken, hebben met de moeder gesproken en vervolgens meegeholpen met poetsen. Uiteindelijk kon hij gewoon mee. Dat was Jocus Toekoms ten voeten uit. We stonden voor elkaar klaar. Paul Vastbinder, Coy Janssen, mijn broer Bert, Lucas Peeters, Jack Schatorjé, Joos Aerts. Noem ze maar op. We waren er voor elkaar. Toen ik samen met andere leden midden jaren zeventig als actief lid stopte, hebben we een nieuwe vriendenclub opgericht: Oma’s ronde taofel. Daarmee komen we nu ruim veertig jaar later nog steeds één keer per maand bij elkaar.”

Rebellerende tieners
Ook Pollux erkent dat er gedurende zijn actieve jaren wrijvingen waren met Jocus. “Wij mochten in die jaren niet eens meer met de optocht mee lopen. Zij beschouwden ons als een buurtvereniging. Meer niet. En natuurlijk speelde dat rebelse karakter van Jocus Toekoms daarin zeker een rol. Er waren diverse leden van Jocus die not amused waren over onze houding. Maar he, we waren opgroeiende tieners. Dan schop je graag tegen het gezag aan.”

Jeugdstadsprins
Tijdens het 22-jarig jubileum in 1973 van Jocus Toekoms ging Jack Schatorje in gesprek met de toenmalige Vorst Joeccius XI, Joep Schreurs. “Wij wilden graag weer met de grote optocht meelopen en de status van Venlose jeugdstadsprins verdienen. In de jaren daarvoor waren we wel actief in de optocht, maar dan als een soort sprookjesprins of iets in die trant.” Pollux lacht als hij aan die jaren terugdenkt. “Er waren leden van de Technische Commissie bij Jocus die er op uit waren om ons uit de optocht te weren. Maar de hockeyclub Groen-Wit liep bijvoorbeeld een keer achter ons met een prachtige wagen en die zeiden dan glashard: als Jocus Toekoms er uit moet, doen wij ook niet meer mee.”

Herm Pollux

 

Talenten
Door de gesprekken met Joep Schreurs sloeg de stemming om en mocht Jocus Toekoms vanaf het jubileumjaar 1973 toch weer onder eigen naam met de Venlose optocht meedoen. En eigenlijk is dat toch ook niet meer dan logisch. Kijk eens naar alle talent dat in al die jaren naar Jocus is doorgestroomd: Jacques-Paul Joosten, Pinda Wullum, Hay Cromvoets, Wiel Vestjens, Frans Pollux. Noem ze maar op.”

Herm Pollux onderschrijft nog steeds het belang van Jocus Toekoms voor nieuwe generaties. “Mijn broer Bert en ik hebben hard gestreden om de familiezitting in de jaren 70 weer van de grond te krijgen. Ja, we moesten echt aan anderen uitleggen waarom het optreden van een kleine buuttereedner zo belangrijk is. Hoe klein ze ook zijn, ze zien wat er gebeurt. Je staat op als de Raad van Elf binnenkomt. Ze leren de viëfklap. Op latere leeftijd gaat dat dan automatisch. Door te kijken naar hun ouders, leren ze wat er gebeurt bij een zitting. En jao det helt auk in desse de moel dicht mos halde als er unne buuttereedner bezig is. Daarna worden ze actief bij Jocus Toekoms, leren organiseren of om op het podium te staan. Als vereniging moet je nieuwe generaties telkens weer de ruimte bieden om zichzelf te ontwikkelen zonder je daar heel actief mee te bemoeien, maar zorg wel dat je als ervaren volwassene een soort van vangnet bent. Jocus Toekoms is inderdaad dé kweekvijver voor de Venlose Vastelaovend. Toen, en nu nog steeds.”

In deel 2 kijken we naar de ontwikkelingen in jaren 70 en 80 van Jocus Toekoms.

Bekijk ons magazine

Blader door onze artikelen in Venlovanbinnenstad