Baer de Proezel

22 februari 2020 | Leestijd: 2 minuten

Column: Jac Buchholz | Beeld: Leon Vrijdag

Columnist Sef Derkx bracht me afgelopen donderdag terug in de tijd, naar een tijd voor mijn tijd. Zijn column ging over de bevrijding in 1945. Over dat ‘iconisch legervoertuig’, de Jeep, waar de bevrijde Venlonaren danig van onder de indruk waren. Zodanig dat er zelfs een vastelaovesliedje aan is gewijd: Sjeep.

Ik ken dat liedje uit mijn jeugd, zoals veel vastelaovesschlagers die ouder zijn dan ik maar nog altijd de tand des tijds doorstaan. Ik weet niet hoe het er in die jaren direct na de Tweede Wereldoorlog in Venlo aan toeging. Toch voel ik me op een of andere manier verwant met die periode.

Dat komt volgens mij omdat tijdens mijn jeugd nog nadrukkelijk de littekens van vooral het laatste oorlogsjaar in de Venlose binnenstad te zien waren. Open plekken waar ooit panden hadden gestaan. Zoals aan de Oude Markt, waar van de nood een deugd was gemaakt en een open plek – nu Theater de Maaspoort – was getransformeerd tot parkeerplaats. Waar wij als binnenstadskinderen de gulle Duitsers meer dan graag een parkeerplek aanwezen, maar dit terzijde.

Littekens, open plekken, waren er ook aan de Jodenstraat. En aan de Havenkade, waar pas in de jaren zeventig het pand van meubelzaak Dings werd gebouwd. Tot mijn ongenoegen, want daardoor was mijn fraaie uitzicht vanuit mijn jongenskamer over de Maas en verder opeens verdwenen.

Dat ik me verwant voel met die jaren direct na de oorlog komt ook door de verhalen thuis. Daar werd veel en vaak over het Venlo van vroeger verteld. Verhalen die zijn blijven hangen. Verhalen ook over kenmerkende Venlonaren. Mensen gekend door mijn grootouders en/of mijn ouders, hun vrienden en familie. Baer de Woers, Pienda Wullem en Marokko kwamen prominent voorbij. Ook anderen. Zoals een meneer die ze Baer de Proezel noemden.

Die man is mij, maar ook mijn broer, altijd blijven fascineren. Nog niet zo lang geleden deden we dus weer navraag over hem bij de broers van onze vader. Want Baer de Proezel liep nog wel eens binnen bij onze kapperszaak aan de Jodenstraat. Een splitlevel-huis waar op de begane grond voorin voornoemde kapperszaak lag en achterin een woonkamer. Dat was in de jaren vijftig, zo is me verteld, het domein van een inwonende huurder, Frits Mulder, en zijn moeder. Later werd het woonkamer van opa en oma.

Baer de Proezel schijnt regelmatig in de voordeur te hebben gestaan en brulde dan, wanneer hij mijn opa niet zag, richting oma ‘is your husband at home?’. Dat deed hij volgens de verhalen vaak met een herdershond over zijn schouder. Oma, die niet zo gecharmeerd was van Baer reageerde dan, hoewel ze uit Den Haag kwam, op z’n plat Venloos: ‘scheer dich weg, Baer de Proezel’.

Veel meer dan dat zijn mijn broer en ik vooralsnog niet over deze figuur te weten te komen. Ja, Paul Seelen noemt hem in zijn boekje over Venlose Stadsfiguren. Waarin zijn bijnaam iets anders wordt geschreven: Bèr de Prozel. Zijn echte naam was, zo schrijft Seelen, Bèr Hendriks. Woonachtig op ’t Hetje en later het Maasschriksel. Sterk maar ook dorstig als een paard. Bij het café van zijn zwager Braem aan de Peperstraat schijnt hij die dorst meer dan frequent te hebben gelest.

Wie hij verder was, weet ik niet. Waarschijnlijk vinden de meeste mensen dat ook niet interessant. Ik wel. Dus blijf ik me verdiepen in het mysterie Baer de Proezel. En in de vraag waarom Venlo ooit zoveel kleurrijke binnenstadfiguren had en nu nauwelijks meer.

Bekijk ons magazine

Blader door onze artikelen in Venlovanbinnenstad