De vliegtuigcrash van 1 oktober 1980. Deel 1: ‘We hebben 100.000 engeltjes op onze schouder gehad’

14 september 2020

Over ruim twee weken is het 40 jaar geleden dat een vliegtuig neerstortte bovenaan de Stalbergweg, vlakbij café ’t Gildehoés. Een gebeurtenis die voor een flinke schok in Venlo zorgde. Leon Vrijdag sprak met diverse ooggetuigen en kijkt in twee delen terug op die dramatische dag.

Tekst: Leon Vrijdag | Beeld: Leon Vrijdag en Gemeentearchief Venlo

Het moet ongetwijfeld een enorme klap zijn geweest als op woensdag 1 oktober 1980 een Northrop NF-5A van de Koninklijke Luchtmacht neerstort op de Stalbergweg in Venlo-Oost. De 25-jarige vlieger kwam bij de crash om het leven. Veel Venlonaren zullen zich deze crash zeker nog herinneren. Matt Sleegers, 2e luitenant-vlieger bij de Koninklijke Luchtmacht was die ochtend vanaf de vliegbasis Gilze-Rijen opgestegen voor een routine oefenvlucht. Omstreeks kwart voor tien stortte hij op slechts 100 meter van zijn ouderlijk huis aan de Casinoweg in Venlo neer. Met 300 vlieguren was hij een nog jonge vlieger die ervaring moest opdoen op de NF-5 om zo door te kunnen groeien naar de F-104 Starfighter.

Hulpverlening
De hulpverlening kwam vrijwel meteen op gang. Brigadecommandant der Koninklijke Marechaussee Venlo, kapitein Cees de Bruijn was op het moment van de crash met enkele manschappen op de schietbaan ‘Groote Heide’. Ze zagen het toestel neerstorten en spoedden zich naar de plek des onheils. Jiri Ambroz was als een van de eerste brandweermensen ter plekke. “Ik was in die tijd werkzaam bij Pope en lid van de vrijwillige brandweer eenheid Blerick,” zo vertelt hij. “De vrijwillige brandweer werd in die tijd overdag alleen ingezet bij grote calamiteiten.” Toen de pieper afging vertrok Ambroz met spoed op zijn brommertje richting brandweerkazerne. Onderweg naar het ongeval werd de eenheid over de calamiteit bijgepraat. Ambroz: “De omgeving lag bezaaid met brokstukken van het vliegtuig, munitie en puin. Overal waren kleine brandhaarden en een van de houten bungalows stond in brand.”

 

Honderdduizend engeltjes
Ambroz kreeg samen met een collega de opdracht om te onderzoeken of de vlieger zich nog in de cockpit bevond. “Ik was in 1977 in militaire dienst gegaan. Na het behalen van mijn groot rijbewijs begon ik met de opleiding brandweer LETS (Luchtmacht Elektronische en Technische School) in Schaarsbergen. Hier werd ik in vier maanden opgeleid tot specialistisch brandweerman. We leerden in die tijd onder andere kerosine-branden blussen van meer dan 2000 liter kerosine per dag. En we leerden hoe we een vlieger uit de cockpit van zijn vliegtuig moesten redden. Belangrijk onderdeel hierbij was het veiligstellen van de schietstoel.” Het was dus logisch dat Ambroz gevraagd werd om te onderzoeken of de vlieger zich nog in de cockpit bevond. De cockpit was gevonden op ongeveer 200 meter van de Stalbergweg in het water van de aangelegen vijver. Beide brandweermannen gingen het water in en op de tast vonden ze het levenloze lichaam van de piloot, zittend in de cockpit. Al snel merkte Ambroz op dat de schietstoel niet veilig gesteld was. Ze bevonden zich in een levensgevaarlijke situatie. De schietstoel kon bij één enkele, foute beweging zomaar geactiveerd worden. De gevolgen zouden niet te overzien zijn geweest. “We hebben honderduizend engeltjes op onze schouders gehad,”aldus Ambroz.

Geen trauma
Uiteindelijk werden specialisten van de luchtmacht ingeschakeld om de schietstoel veilig te stellen. De taak van Ambroz zat er op. De beroepsbrandweer van Venlo was met voldoende manschappen aanwezig om de brandende bungalow en aangrenzende bomen en struiken te blussen en Ambroz besloot terug te gaan naar zijn werk. Hij herinnert zich de gebeurtenissen van deze eerste oktober 1980 nog heel goed. “In mijn latere loopbaan als ambulance-chauffeur heb ik veel calamiteiten en zware ongelukken meegemaakt, maar de vliegtuigcrash is mij altijd bijgebleven. Slapeloze nachten van de vliegtuigcrash of andere ongelukken die ik als hulpverlener meemaakte, heb ik echter nooit gehad. Ik heb de gebeurtenissen altijd goed kunnen bespreken met mijn echtgenote Annemary. Wellicht heb ik daarom nooit trauma’s overgehouden aan de dingen die ik gezien heb.”

 

Andere tijden
In de afgelopen 40 jaar is de hulpverlening behoorlijk veranderd. De brandweermensen van nu zijn beter uitgerust met lichtere gereedschappen. Ook training en opleiding zijn flink verbeterd. Tegenwoordig is de beroepsbrandweer ook opgeleid om goed te kunnen handelen bij een vliegtuigramp. Hulpverleners worden tegenwoordig na een zwaar ongeval of een ramp opgevangen door professionele trauma-teams. Wanneer een hulpverlener na een zwaar ongeval terugkeert, krijgt hij vaak code rood, wat inhoud dat hij zijn dienst kan beëindigen en naar huis mag. “Wij hadden gesprekken met collega’s onderling en met het thuisfront”, zo vertelt Ambroz. Ook de rol van de pers is tegenwoordig anders. Waar destijds slechts een handjevol journalisten aanwezig was bij de crash, is in de huidige tijd de pers in grote getale vertegenwoordigd bij een ongeval of calamiteit en vindt het nieuws binnen enkele seconden zijn weg over het internet. De professionele hulpverlening maakt tegenwoordig gebruik van moderne communicatie-middelen. Hoe anders was dat op 1 oktober 1980. De beroepsbrandweer beschikte over een oude Ford Transit die ingericht werd als commando-wagen. “We moesten met lange telefoonkabels, via de telefoonaansluitingen in de huizen van omwonenden verbindingen opzetten”, zo herinnert Ambroz zich. Toch verspreidde het nieuws van de crash zich razendsnel door Venlo en met name door adequaat handelen van de Koninklijke Marechaussee werd het gebied snel afgezet en het publiek op een gepaste afstand gehouden.

Morgen in deel 2 vertellen Sjaan Verberkt-Naarding van café ’t Gildehoés en haar kinderen over hun ervaringen tijdens deze 1e oktober 1980.

Terug