Frans Boom: ‘Rondom de bevrijding heerste echt geen feeststemming; het ging om overleven’

27 februari 2020 | Leestijd: 8 minuten

Venlonaar Frans Boom woont inmiddels al jaren in Gronsveld, maar hij maakte de Tweede Wereldoorlog en de periode na bevrijding intensief mee in Venlo. Hij vertelt over zijn herinneringen rondom de Hongerwinter, de bevrijding en de eerste maanden na die 5e mei 1945. “Er was armoede en dus ook veel ellende en honger. Maar je accepteerde het. Het ging om overleven.”

Tekst: Rob Buchholz | Beeld: collectie Frans Boom

Frans Boom wil vooral zijn verhaal vertellen in de geest van de jongen die hij was. Een jongen van 6 tot 11 jaar. “Ik heb daarna natuurlijk heel veel details gehoord. Zowel van mijn ouders als van andere mensen, maar het gaat er mij om dat ik kan vertellen hoe wij als kinderen de tweede wereldoorlog ervaren hebben. Van veel ellende hadden wij geen weet. Vaak was het gewoon spannend. En ja, ik heb zelfs prettige herinneringen aan die jaren.” In de loop van de oorlog veranderde de sfeer wel in de binnenstad. Bombardementen, spanning, onderduiken en honger bepaalden steeds meer het leven van de Venlonaren.

Duitse inval
Eerst terug naar mei 1940. De familie Boom (vader, moeder en vier kinderen) woonde op de Kaldenkerkerweg 114. De ouders van Frans hadden daar een eigen zaak waar rijwiel- en elektrische artikelen verkocht werden. “Onze buurt stond bekend als Den Luien Hook. Waarom? Ik heb echt geen idee. Eigenlijk waren wij een behoorlijk gesloten gemeenschap met een eigen kapper, slager, groentezaak, café, supermarktje, een bakker, een kolenhandelaar plus een snoepwinkel. De eerste maanden na de Duitse inval ging ons leven eigenlijk gewoon door. Mijn vader had tijdens die nacht van de tiende mei de militairen over de Kaldenkerkerweg de stad en dus ook het land zien binnen komen. Dit was ongeveer drie uur ’s nachts. Vanuit een dakraampje zag ik zelf ook de militairen over de Kaldenkerkerweg lopen. Mijn vader had lang doorgewerkt en ons vervolgens wakker gemaakt. De militairen liepen in het begin soms zingend en marcherend door onze straat en wij liepen daar als kinderen weer vrolijk achteraan. Wij zagen daar toen echt geen kwaad in.”

Leven in de kelder
De echte ellende begon vanaf het moment dat de bombardementen in het najaar van 1944 in het centrum vielen en Venlo frontstad werd. “Toen Blerick bevrijd was lag de stad regelmatig onder granaatvuur. Steeds meer wijken werden geëvacueerd en veel mensen kwamen naar het oosten van de stad. Op een bepaald moment woonden er drie gezinnen in onze kelder. Ik geloof dat we wel met 20 personen daar zaten. Ook kerstmis 1944 hebben we daar gevierd.” De kelder van de familie Boom was inmiddels verbonden met kelders van aangrenzende woningen. Boom begint te lachen. “Wij hadden daar gaten in gemaakt, maar de buren Beerkens waren te dik. Die pasten daar niet altijd even makkelijk doorheen en zaten soms een tijdje vast in het gat.” Aan de andere zijde bij de familie Dirks had de moeder des huizes veel vlees, fruit en groente ingemaakt. Deze potten stonden op een hoog rek in de kelder. Opnieuw verschijnt een lach op het gezicht van Frans Boom. “Tijdens een spelletje ben ik aan dat rek gaan hangen. Met als gevolg dat het hele rek met alle potten in gruzelementen op de vloer lag. Ik heb toen echt een ongelooflijk pak slaag gekregen. Als ik er nu nog aan terug denk, weer die pijn voel.”

Evacueren
Op 17 januari 1945 krijgt de familie Boom te horen dat ze moesten evacueren. Het was de bedoeling om naar het Noorden te vertrekken. Inmiddels verlieten al veel andere evacués de stad via de Kaldenkerkerweg. Vader Boom had in zijn winkel nog een doos vol met oorwarmers staan en deelde deze uit aan de mensen die zijn zaak passeerden. Behalve de ouders met de vier kinderen ging tevens een broer van moeder Boom mee (Oom Piet). De familie reisde per fietsen naar het Noorden.

Barre tocht
De dag na het bevel om te evacueren, vertrok het gezin dan ook. Vader en moeder hadden zo veel mogelijk spullen voor onderweg ingepakt. “Direct nadat wij de grens gepasseerd hadden zagen we van afstand een Duitse militair in uniform staan. De Duitser sprak mijn vader aan en vroeg: ‘Bis dich det Toën?’ Het bleek gelukkig voor ons een oude zakenrelatie van vader te zijn. Hij adviseerde om een andere route te nemen. Op die hele route hebben we drie keer bij Duitse mensen geslapen. Wij kregen daar vaak goed te eten en te drinken.” Op een later moment gedurende deze barre tocht door de winter van 1945 kwam de familie een groep Duitse militairen tegen. Frans Boom geeft toe dat hij angst had dat zijn vader of oom zouden worden opgepakt. Het tegendeel bleek waar. “De leider van de groep riep een paar militairen bij zich met het verzoek ons te helpen om verder de berg op te komen.”

Koning Winter
De tocht duurde lang en zorgde voor veel onzekere momenten. Niet alleen bleef de angst voor de Duitsers –ondanks de soms positieve ervaringen – groot, maar Koning Winter regeerde in die periode met strenge hand. Een combinatie van snijdende wind en flinke pakken sneeuw maakten de weg naar veiligere oorden bar en boos. “Regelmatig hebben we onder moeilijke omstandigheden ergens moeten overnachten. In Gendringen (Gelderland) belanden we in een soort gemeenschapshuis waar meerdere Venlonaren en Limburgers verbleven. De slaapzaal was overvol, maar we waren blij met ieder stukje veiligheid. Uiteindelijk hebben we daar met een aantal kinderen gewoon gekaart en andere spelletjes gedaan. Dat mag vreemd klinken, maar zoals eerder gezegd: als kind zag je het gevaar en de ernst van de situatie niet in.”

Familie Hakvoort
Later ging de tocht van de familie verder naar Zutphen en Doetinchem. “Onze schoenen waren door het vocht volledig verrot. Bij een boerderij belden we aan om voor eten en nieuwe schoenen te vragen. De boer en boerin hebben ons met een riek en een kwade hond van het erf verjaagd. Ja, dat was in ons eigen Nederland. Dat was eigenlijk onze eerste echte negatieve ervaring tijdens die barre tocht.” De uiteindelijke verblijfplaats was bij de familie Hakvoort in Bathmen (in de buurt van Deventer). Het was geen prettig gezin, zo weet Boom zich te herinneren. “Ze keken ons met de nek aan. Zij waren Rooms-katholiek en hun buren niet, maar als we –ondanks betaling – niet voldoende te eten kregen van de familie Hakvoort, gingen we naar de buren toe. Daar kregen we dan meer om onze buikjes te vullen en dat vonden de heer en mevrouw Hakvoort weer niet leuk. Pas later hoorden wij dat ze eigenlijk stinkend rijk waren.”

Bevrijding
De familie Boom was dus niet in Venlo toen de stad op 1 maart 1945 bevrijd werd. “Het gebied waar wij verbleven was sowieso later aan de beurt. Ik geloof rond 10 april 1945, een maand later dus. Wij zagen hoe Canadezen Bathmen bevrijden. Zij deelden onder andere witbrood uit. Ik kan me niet herinneren ooit zo’n lekker wit brood gegeten te hebben.” Hoewel de bevrijding officieel een feit was, werd er in noordelijke richting nog gevochten. “Volgens mij heerste er dan ook geen echte uitgelaten feeststemming onder de mensen. Iedereen was wel blij deze angstige periode heelhuids overleefd te hebben. Mijnheer Hakvoort klaagde overigens dat er een ruitje in zijn voordeur kapot was gegaan. Dat was echt het enige. Mijn vader keek hem aan en zei: man, je moest eens weten wat wij allemaal meegemaakt hebben.”

Armoede
Toen duidelijk werd dat ook de eigen stad bevrijd was, ontstond het idee weer naar Venlo terug te keren. “Wij hoorden echter slechte berichten. Alles was kapot geschoten. Daarom vroegen onze ouders zich af of het wel veilig was. Vader besloot daarom met zijn zwager (Sjeng van de Essen uit de Papegaaistraat) op de fiets vooruit te gaan om situatie aan het thuisfront te beoordelen. Wij bleven achter en het leven. Er was nauwelijks voldoende eten. Ja, je mag gerust zeggen, dat er ook na de bevrijding gewoon nog echte armoede heerste.” Pas nadat de berichten uit Venlo aangaven dat de situatie veilig was, volgde de rest van het gezin Boom. Eerst op een open kar, vervolgens met paard en wagen en het laatste deel werd in een volledig afgesloten vrachtauto afgelegd. Frans Boom kon door de kieren naar buiten kijken en moest constateren hoe bijna alles tussen Nijmegen en Venlo kapotgeschoten was. “Ik zag echt alleen maar kapotte huizen.”

Vernielingen en puin
Bij aankomst in ´t Ven stapte het gezin uit de vrachtauto en ging zelf verder. Het doel was om de eigen woning op Kaldenkerkerweg 114 te bekijken. “De schade was echter zo groot, dat we daar niet konden blijven en zijn toen naar opa Thijssen gereden. Oma Thijssen was kort na de bevrijding in 1945 van Venlo aan een ernstige ziekte overleden. Daar zijn we enkele weken gebleven. Iedereen vond het eigenlijk heel normaal dat we heelhuids terug waren. Ja, dat was overigens één van de weinige pluspunten: in onze buurt waren geen slachtoffers gevallen. De nadelige gevolgen van de oorlog heb ik met eigen ogen gezien: alles in de buurt was vernield. Er lag alleen maar puin.”

Overleven
Later werd de woning weer bewoonbaar gemaakt en was het zaak persoonlijke bezittingen terug te vinden. “Veel Venlonaren en Limburgers hadden van alles uit onze woning gestolen. Ik kan mij nog herinneren dat ik vlak voor kerstmis 1945 een wandeling door de buurt maakte en in één van huizen een opgetuigde kerstboom zag staan met onze kerstverlichting erin. Niemand had namelijk zoiets in die tijd. Alleen wij; dankzij de zaak van pap. Die mensen hadden de verlichting dus uit ons huis gestolen. Gelukkig hielp de politie mee en zijn nog meer persoonlijke eigendommen teruggevonden.”

Geen inkomsten
De sfeer was in die maanden na de oorlog alles behalve uitgelaten. Er was geen werk, geen inkomen dus ook nauwelijks eten en kleding. “Nee, de winkel van pap was ook volledig vernield en waren er vanzelfsprekend geen inkomsten. Omdat ik de oudste was, kreeg ik als 11-jarige jongen opdracht werk te zoeken. Ja, dat deed ik gewoon. Je wist als kind niet beter. Ik kon niet vergelijken met de situatie van voor de oorlog. Daarover had ik geen herinneringen. Je kunt er nu lang en breed over praten, maar het was zoals het was. Het ging om overleven. Je accepteerde de situatie en dacht verder nergens bij na. Maar de mensen hielpen elkaar wel. Pas toen we na de zomer van 1945 weer naar school gingen, kwamen we weer langzaamaan in het normale dagelijkse ritme. Al was het leven ook toen nog alles behalve eenvoudig.”

Nu, 75 jaar na dato, vieren wij nog steeds de bevrijding. Hoe kijkt hij er tegenaan? “Tja, wat moet ik daar op zeggen? De meesten mensen die nu deze dag vieren, hebben niets van de oorlog meegemaakt. Dat percentage zal in de loop der jaren steeds hoger worden. De mensen realiseren zich niet, wat wij echt hebben meegemaakt en hoe wij geleefd hebben. De meeste generaties van nu leven in ongekende luxe. Dat is geen verwijt, maar een beetje meer bewustwording mag best. Hoe is het om in een kelder te moeten wonen? Wij leefden van dag tot dag. Wij leefden om te overleven. Daarom is het goed dat onze verhalen nu nog verteld worden. Ook aan de nieuwste generaties. Dit is mijn verhaal; hoe ik het als kind van zes tot elf jaar ervaren heb.”

Bekijk ons magazine

Blader door onze artikelen in Venlovanbinnenstad