Theo Ottenheijm: ‘Over de doden werd tegen ons als kinderen niet gesproken.’

28 februari 2020 | Leestijd: 7 minuten

Theo Ottenheijm (83) woonde samen met zijn ouders en drie broers (Pieter, Adriaan en Mathieu), twee zussen (Caroline en Henny) plus het inwonend dienstmeisje Maria Dorssers een groot deel van de Tweede Wereldoorlog in het monumentale pand op de Vleesstraat; het pand dat later de naam van deze familie kreeg. De woning waar tevens de eigen groentewinkel gevestigd was. In zijn verhaal over de Tweede Wereldoorlog vertelt Ottenheijm over de bombardementen op Venlo, de evacuatie, het verblijf in Reuver en Beesel, de bevrijding en het spelen op de puinplaats.

Tekst: Rob Buchholz | Beeld: Leon Vrijdag

Na de hevige bombardementen van 28 oktober 1944 op de Venlose binnenstad besloot de vader van het gezin dat het beter was om te evacueren. Na een korte periode bij familie in Beesel verbleven ze tot de bevrijding in Reuver. De gewelfde kelder waar het gezin die 28e oktober in vluchtte, was al volledig ingericht. “Wij moesten in 1943 en in 1944 zo vaak ’s nachts uit bed dat vader het beter vond om in de kelder te gaan slapen,” zo herinnert Ottenheijm zich nog. “Met latten en zachtboard platen waren vier kamers gemaakt. Bovendien waren alle kelders in dat deel van de Vleesstraat doorgebroken. Vanaf de hoek Gasthuisstraat tot aan de Klaasstraat. In geval van nood konden mensen dan vluchten.”

Heftig bombardement
Maar vooral die zaterdag 28 oktober 1944 staat hem nog vers in het geheugen. De dag dat de eerste serie bombardementen onder andere de Vleesstraat, Heilige Geeststraat en Hoogstraat zwaar troffen. ”Het was de verjaardag van mijn broer Adriaan. Kort voor tien uur ging het luchtalarm. Samen met twee klanten die nog in de winkel stonden, vluchten we allemaal de kelder in. Dit was het heftigste bombardement op Venlo dat we tot dat moment hadden meegemaakt.” Het ene Weesgegroetje na het andere werd gebeden. Er vielen diverse bommen en alles dreunde, de etalageruiten van de winkel waren kapot en alles was bedekt met een dikke laag stof, zo herinnert Ottenheijm zich.

Evacueren
Voor vader voldoende redenen om te besluiten dat het beter was dat het gezin moest evacueren. “Het was gewoon te gevaarlijk. In eerste instantie verbleef ik die zaterdag met mijn broer Pieter en een oom bij oma in Tegelen. De volgende morgen vertrok ons hele gezin naar Beesel. Mijn broer en ik bleven op de boerderij bij ome Harry en tante Elza; net buiten het dorp. De rest werd bij een andere oom en tante (Sjaak en Carola) ondergebracht die midden in het dorp woonden. Die tocht naar Beesel hebben we te voet afgelegd. Alleen oma was in het bezit van een fiets. Ze naam in eerste instantie Mathieu mee achterop en fietste vooruit. Daarna keerde zij telkens terug om een volgend kind mee te nemen.”

Verblijf in Beesel
Aangekomen in Beesel werd het gezin dus verdeeld. Ook deze gemeente lag bij tijd en wijle onder de vuur zodat Theo met zijn broer bij de oom en tante in de kelder moesten schuilen. Volgens Theo Ottenheijm loerde ook buiten Venlo dus nog het gevaar. “Beesel lag onder granaatvuur en één van deze granaten kwam precies op de markt in het dorp terecht met als gevolg dat daar diverse doden bij zijn gevallen. Later werd het gelukkig veiliger. Ome Harry zorgde ervoor dat wij de hele dag vermaakt werden. Pieter en ik keken bijvoorbeeld mee bij het oogsten en drogen van de tabaksbladeren waarvan oom sigaren maakte.”

Stad in brand
Op zaterdag 4 november brak in Venlo de hel los. De stad kreeg een bombardement te verwerken waar geen einde aan leek te komen. Tientallen huizen werden verwoest, vele Venlonaren vonden de dood. Het was een inferno dat zorgde voor een gitzwarte bladzijde in de historie van de stad. Hoewel Ottenheijm in Beesel verbleef, is deze dag hem altijd bijgebleven. “Vlakbij onze verblijfplaats liep de straat een stuk omhoog en was het mogelijk ver te kijken. Wij zagen één oranje gloed boven Venlo. De stad leek in brand te staan. Het was beangstigend want wij wisten niet welke delen precies in brand stonden. Later bleek dat ons huis gelukkig niet geraakt was.”

Duitse soldaten
Het leven in Beesel verliep verder betrekkelijk rustig. In december 1944 kreeg de oom inkwartiering van diverse soldaten van de Compagnie Falschirmjäger. Het voordeel daarvan was dat er regelmatig goed eten op tafel kwam: Duits brood, boter, beleg en zelfs erwtensoep. “Een keer zagen Pieter en ik hoe een koe werd doodgeschoten; speciaal voor het vlees. Dat was nodig, maar maakte op ons als kinderen natuurlijk veel indruk. Het contact met die Duitsers verliep overigens best goed. De soldaten Willie en Walter kwamen wel eens een praatje maken. Later kreeg Willie malaria en heeft onze tante – die verpleegster was – hem nog verzorgd. Nee, er was geen haat jegens de Duitsers. Met kerst kregen wij zelfs cadeaus van hun. Ik kreeg een weerhuisje en Pieter een speelgoedpiano. Tante Elza kreeg een pak lucifers van het merk Excelsior. Deze waren afkomstig uit een kist die gevonden was in Venlo. Die kist, zo bleek later, was echter door onze vader gekocht. Dus het is zo goed als zeker dat het cadeau eigenlijk uit onze eigen kelder afkomstig was.” Toen vader vanuit het dorp met kerst zijn kinderen wilde bezoeken, moest hij tijdens de tocht wel voorzichtig zijn. “Omdat het bij hun in het dorp lastiger was om aan eten te komen, kreeg hij van oom en tante voedsel mee voor de rest van het gezin.”

Boerderij in Reuver
Na de jaarwisseling van 1944 naar 1945 werd de situatie in Beesel gevaarlijker en moest het hele gezin ook hier gedwongen vertrekken. Theo Ottenheijm verbleef op de boerderij van de familie Smolenaars in Reuver. Op weg naar Reuver verbleef het gezin eerst nog in een bunker, vlakbij kasteel Nieuwenbroeck waar tegenwoordig het draaksteken plaatsvindt. Een plek waar tevens een aantal andere familieleden verbleven. “Eten hadden we van de boerderij meegenomen,” zo herinnert Ottenheijm zich. “Maar de melk was natuurlijk koud. Om de baby toch warme melk te voeden, deden de vrouwen dit één voor één in de mond. Vanuit de mond van de dames kreeg de baby dan de enigszins warme melk gevoed.”

Zorgeloze periode
Na het korte verblijf in de bunker bij het kasteel splitste de groep zich weer op. Ooms en tantes vertrokken naar Duitsland. Theo Ottenheijm en de rest van het gezin kwamen bij de boerderij van de familie Smolenaars in Reuver terecht. Daar beleefde hij een redelijk zorgeloze periode. “Maar als kind wist ik natuurlijk niet alles. Pas later kregen wij te horen dat er ook onderduikers in de boerderij zaten. Dat mochten wij niet weten. De volwassenen waren bang dat wij als kinderen deze mensen zouden verraden.” Vlak bij de boerderij, aan de andere kant van de weg, bevond zich een bunker; speciaal voor de Duitsers. Daar mocht verder niemand in komen. Na de oorlog is Ottenheijm er toch een kijkje gaan nemen. “Het mag vreemd klinken, maar zoiets fijns had ik nog nooit gezien. Daar lagen perzen op de grond en tapijten tegen de wand. Ik begreep later dat ze deze spullen geplunderd hadden, bij mensen uit Reuver die geëvacueerd waren.” Nee, er was volgens hem geen angst op de boerderij. Het was de enige plek in Reuver die veilig was; alle andere bewoners van het dorp waren inmiddels verplicht vertrokken. “Het vee van mensen die geëvacueerd waren, werd bij Smolenaars afgeleverd: een koe, kippen en varkens. Er was dus voldoende te eten en ik sliep met een aantal andere mensen op een slaapkamer. Je kunt wel stellen dat onze periode daar redelijk zorgeloos is verlopen.”

Honger
Ottenheijm weet uit verhalen dat andere Venlonaren het minder goed getroffen hebben. Verhalen die duidelijk maakten dat velen honger en ellende moesten doorstaan. “Er was weinig voedsel en als er al iets te eten was, werd dat alleen met voedselbonnen verdeeld. Vanaf december 1944 waren er in Venlo regelmatig oproepen om te evacueren. Bij bepaalde gebieden, werd die oproep weer ingetrokken. Er waren dan ook Venlonaren die ervoor kozen om onder de vloer te kruipen en af te wachten wat er ging gebeuren. Verder zijn er ook mensen op de treinen naar Duitsland gezet. Zij hebben compleet andere verhalen te vertellen. Nee, die laatste maanden waren voor degene die zijn achtergebleven zeker niet leuk. Zij liepen bovendien kans opgepakt te worden.”

Terug naar Venlo
Tot aan de bevrijding van Venlo op donderdag 1 maart 1945 verbleef hij in Reuver. Vader Ottenheijm ging als eerste poolshoogte nemen in de stad. Daar zag hij tot zijn grote geluk dat de eigen woning op de Vleesstraat intact was gebleven. De terugtocht door de dorpen naar Venlo was ondanks de bevrijding niet zonder gevaar. “Bepaalde gebieden waren nog spergebied, maar we kwamen veilig in Venlo terug. Eenmaal thuis aangekomen, kregen we toch nog met een luchtalarm te maken. Dus vluchten we met het hele gezin weer halsoverkop de kelder in. Daar werden de kopjes van de kinderen geteld en wat bleek: mijn broer Adriaan was er niet bij. Hij lag nog te slapen in een stoel in de keuken. Gelukkig is ook hij toen snel en veilig naar de kelder gebracht.”

Verwoest gebied
Theo Ottenheijm herinnert zich dat rondom de eigen woning veel was verwoest. “Iedereen in Venlo probeerde na de bevrijding zo goed en kwaad als mogelijk was het gewone leven weer op te pakken. Voor ons als kinderen was dat misschien iets eenvoudiger dan voor de volwassenen. Veel mensen – vrienden, kennissen, buurtgenoten of familie – van Venlonaren keerden niet meer terug. Maar anderen gezinnen zagen we weer wel. De families Fieten, De Swart, Minten; het voelde goed ze weer te zien. Over de doden werd tegen ons als kinderen niet gesproken.”

Berendsen opgepakt
Inmiddels was Ottenheijm negen jaar. Hij speelde dat voorjaar en in de zomer van 1945 vooral buiten op de vele puinplaatsen in de stad. Onder andere op het Patersveld; de plek waar tegenwoordig C&A gevestigd is. “Op een dag hoorden we plotseling iemand roepen: ze hebben Berendsen te pakken. Iedereen wist dat hij fout was geweest in de oorlog. In de zomer van 1945 had de politie hem uiteindelijk toch gevonden en meegenomen naar het bureau aan de Lohofstraat. Natuurlijk liepen wij als kinderen uit de binnenstad daar achteraan om te kijken. Met onze neuzen tegen de raam keken we nieuwsgierig wat er binnen met hem gebeurde.”

Spelen op puinplaatsen
Tijdens het spelen op de puinplaatsen deed zich nog een naar incident voor. “Iedereen kwam daar samen. Ook de iets oudere kinderen uit de stad van ongeveer 14 of 15 jaar. Op een dag was een groepje bezig brandweerman te spelen. Sjaak Berkers zat boven in een pand en viel uit het raam of de dakgoot en kwam te overlijden. Dat heb ik zelf niet gezien, maar het verhaal ging snel rond in de binnenstad. Dat was direct na de oorlog toch weer een akelig moment om te ervaren. Maar ook daar werd door onze ouders niet meer over gesproken.” Echte haat tegen de Duitsers zoals in het westen van het land heeft Theo Ottenheijm niet meegemaakt in Venlo. “Misschien een bepaalde afkeer omdat zij het goed hadden na de oorlog en wij niet. Kleding kregen wij en andere Venlonaren vanuit de HARK. Dat stond voor Hulpactie Rode Kruis. Een keer per maand kwam er een oproep en zo hebben wij zeker een jaar of twee na de tweede wereldoorlog onze kleren gekregen.”

In september van 1945 opende vader Ottenheijm weer zijn groentezaak en keerde Theo Ottenheijm terug naar school. De oorlog was voorbij, maar de verhalen zijn voor altijd gebleven. Verhalen die voor volgende generaties bewaard moeten blijven.

Bekijk ons magazine

Blader door onze artikelen in Venlovanbinnenstad

‘Op de pens’

‘Op de pens’

Column: Jac Buchholz / Beeld: Peter Janssen Wandelend door de Venlose binnenstad kom ik tot mijn verbazing nog met enige regelmaat grote groepen zogenaamde Duitsers tegen. Twaalf, veertien man bij elkaar, vermoedelijk allemaal voorzien van een roze bril of oogkleppen....