Venlo door de eeuwen heen: Deel 2 – Van Homo sapiens tot Romeinse tijd

18 juni 2020

Een nieuwe rubriek bij VenloVanbinnen: Venlo door de eeuwen heen. In deze reis door de tijd gaan we de geschiedenis van de stad uitgebreid belichten. Chronologisch. Van oermens tot moderne centrum stad. Een stukje geschiedenis voor jong en oud. Vandaag deel 2: Van Homo sapiens tot Romeinse tijd. Van 40.000 voor Christus tot 70 na Christus.

Tekst: Rob Buchholz | Beeld: Limburgs Museum en VenloVanbinnen

In dit deel leren we de eerste bewoners van Venlo kennen. Wie waren die eerste Venlonaren? De Keltische Eburonen of toch de Germanen die door de Romeinen als hun opvolger in dit gebied werden aangewezen.

40.000 -12.500 voor Christus
Het is 40.000 voor Christus. Het tijdperk dat de Homo sapiens vanuit het Oosten en Noord-Afrika richting Europa trekt. De Homo sapiens is de menssoort waar wij vanaf stammen. Het duurt lang voordat ze deze streek bereiken. In de heuvels van Zuid-Limburg zijn resten gevonden die dateren uit een periode van 12.500 voor Christus. Waarom de trek van Zuid naar Midden-Europa zo lang duurde? Door het einde van de ijstijd werd dit gebied steeds aantrekkelijker om te wonen, maar ook de moderne mens was niet bestand tegen de kou en verbleef dus lange tijd in meer zuidelijkere oorden.

12.000 tot 10.000 voor Christus
Het is het tijdperk van de bosjagers (12.000-4800 voor Christus) Behalve van wild leefde dit volk van vis, wortels, knollen en bessen. Jagers maakten rond 9600 voor Christus gebruik van pijl en boog. De punt van de pijl was vaak gemaakt van kleine stukjes vuursteen. In Eijserheide en Sweikhuizen zijn bij opgravingen overblijfselen van kampjes van rendierjagers gevonden. Het meest noordelijke kamp werd bij Echt aangetroffen. Door het verbeterde klimaat – na de ijstijd – verdwenen de uitgestrekte toendra’s en ontstond steeds meer bosrijk gebied. Een ander belangrijk aspect was het feit dat wilde dieren permanent in deze gebieden aanwezig waren en de mens dus niet meer hoefde rond te trekken. Het verblijf op één vaste plek door kleine groepjes kwam steeds vaker voor. Steeds vaker bepaalden de seizoenen de levenscyclus van de mens. Kleine groepjes trokken op langs de Maas tot aan de rand van de Peel. Zo zijn bij het natuurgebied Koelbroek in Boekend, Blerick ook overblijfselen van kampen uit deze periode gevonden. In de bossen was echter weinig voedsel te vinden. Wel op open gebied, vaak bij rivieren. De bewoners van toen stichten daarom nederzettingen langs de Maas. Aan de oostkant (Zwarte Water) was het jachtgebied. Door het warmere klimaat kwamen echter ook steeds vaker overstromingen voor en werden stukken bos weggeslagen.

10.000-4200 voor Christus
Ondanks het einde van de ijstijd ontstonden nog steeds geen echte dorpen. Vaak bouwde de boeren wel losse boerderijen met bijgebouwen en een waterput. Tevens waren rond die boerderijen de eerste akkers zichtbaar waar graan of gierst op verbouwd werd. Behalve de bosjagers kwamen rond 5300 voor Christus ook de eerste Boerenkolonisten naar deze streek. Zij verbouwden gewassen en hielden vee. Het was duidelijk: Jagers werden boer. Maar zoals alles verliep ook dat proces niet van de ene op de andere dag. Deze verandering nam zeker 1000 jaar in beslag. De helft dus van onze moderne jaartelling. De boeren uit het oosten staken rond 5250 voor Christus de Rijn over en vestigden zich onder andere in Zuid-Limburg. Aan de tijd van jagen en rondtrekken kwam een einde. Tussen 5300 en 4900 voor Christus woonden de Bandkeramiekers in deze streek en bleven daar vaak wonen. Een naam die dit volk te danken had aan het bandvormig motief waarmee ze aardewerk versierden. Zij woonden op lössgrond in Zuid-Limburg en bouwden daar grote huizen. Maar zelfs in Venlo is hakwerktuig van de Bandkeramiekers gevonden. De Bandkeramiekers rooiden bomen voor de aanleg van akkers zodat graan en peulvruchten verbouwd konden worden. Dit volk begroef hun doden in kleine grafvelden. Mannen kregen aardewerk, vuursteen en werktuigen mee in het graf. Bij vrouwen waren het vaak stenen en aardewerk.

4200-3000 voor Christus
Behalve de omslag van jager tot boer ontstonden in die periode de eerste specialisten/ambachten. Hierdoor was er voor de eerste keer sprake van ruilhandel tussen regio’s. Het ruilen van producten en grondsoorten begon en banden met bewoners van andere gebieden werden aangehaald. Mensen werden nieuwsgierig en zochten elkaar op. Uit 4200 voor Christus zijn sporen van boeren in deze streek gevonden. En ongeveer tweehonderd jaar later vindt een overgang naar een volledige agrarische samenleving plaats. De zandgrond in deze regio had echter een slecht conserverende werking. Omdat de zandbodem snel was uitgeput, moesten de boeren van toen iedere 25 tot 40 jaar op andere plekken nieuwe akkers aanleggen. Op Zuid-Limburgse lössgrond was het verbouwen van gewassen beter mogelijk en bleven vaak vele generaties op dezelfde plek wonen.

3000-1200 voor Christus
Aan het einde van de Steentijd komen steeds meer metalen werktuigen naar deze streek, zoals brons. Brons verving gedurende de bronstijd geleidelijk vuursteen als belangrijkste materiaal voor gereedschap en wapens, maar werd tevens gebruikt voor sieraden en enkele uitzonderlijke beelden. Mensen die in het bezit waren van brons hadden vaak veel macht. In het gebied rondom Venlo – onder andere in het Jammerdal – zijn in de loop der jaren zwaarden, bijlen, sikkels en messen gevonden.

2000-750 voor Christus
Deze boeren uit de Bronstijd woonden vaak in kleine clusters. Bij onderzoek rondom Heierhoeve in Blerick zijn resten uit dit tijdperk gevonden. Rond diezelfde tijd zien we ook de opkomst van de ijzerindustrie. IJzer werd in deze regio gevonden bij Laarberg in Velden en Branderveld in Lomm. Het ruwe ijzererts vloeide uit de ovens en werd vervolgens tot bruikbaar ijzer gehamerd. Tijdens dit tijdperk komt een einde aan de zelfvoorziening. Metaal was eenvoudig te slijpen en bovendien recyclebaar. De nieuwe ijzersmid onttrok zich aan de sleur van het boerenbestaan en begon met de eerste vormen van ruilhandel. Metalen voorwerpen zorgden voor prestige en status. Duidelijk is hier de opkomst van ambachtslieden te zien. Dit zorgde voor sociale veranderingen. Dankzij het bewerken van ijzer groeide het wapenarsenaal en werd het bovendien gevarieerder. Ook kwamen in deze tijd de eerste munten in omloop. Zo ontstond in het gebied rond de Middellandse Zee een geldstelsel van munten. Dit vormde later weer een bron van inspiratie voor meer noordelijke gebieden waar de Kelten woonden. Maar daarover later meer.

Urn uit de Bronstijd (Limburgs Museum)

1200 voor Christus
Wat werd er eigenlijk gevonden bij die archeologische opgravingen? Rond 1200 voor Christus begonnen volkeren met het cremeren van de doden. Urnen met as werden bijgezet onder kleine heuveltjes waardoor de eerste urnenvelden zijn ontstaan. Tevens zijn graven uit die periode gevonden met een zeer rijke inventaris. Dat gebeurde vooral bij graven van belangrijke mensen: de zogenaamde vorstengraven. Deze zijn onder andere gevonden in Horst en op Groot Boller in Blerick. Een van de meest bekende vondsten uit die periode is de befaamde bronzen ketel met twee hengsels. Volgens onderzoek moet deze gemaakt zijn in Zuid-Europa (Italië of Slovenië) maar werd ongeveer 75 jaar geleden gevonden in de omgeving van Venlo of Baarlo. In het Jammerdal zijn zeven grafheuvels zichtbaar. De grootste is de Generaalsheuvel. Overigens werden -door de toename aan rituelen – veel offers gebracht naar beken en rivieren. Zo is veel belangrijk materiaal uit die tijd in het water verdwenen. Tijdens die rituelen was er sprake van ceremoniën werden uitgevoerd en mensen maskers droegen. Status, bezit, geloof; het zijn allemaal aspecten die steeds belangrijker werden.

750- 54 voor Christus
Doordat ijzer en koper status gaven aan de bezitters, ontstonden steeds meer sociale verschillen. Ambachtslieden verdienden geld. Leiders van woongroepen werden steeds belangrijker. In het gebied tussen Maas en Rijn -dus ook rondom Venlo – woonden de Eburonen, een Keltische stam. In Koningsbosch is bij opgravingen een graf gevonden van een rijke Keltische dame, uit de periode 300 voor Christus. Ze was in het bezit van twee bronzen enkelringen, een mantelspeld plus een gordelhaak. Bezittingen die duiden op status. Ook zijn Keltische munten van rond 100 voor Christus gevonden. Deze bezaten een gebogen vorm, maar werden niet gebruikt als geld zoals in de moderne tijd. De samenleving, maar ook de denkwereld was ruim 2000 jaar geleden nog compleet anders dan nu. Munten hadden een meer symbolische betekenis; vaak op sociaal of religieus gebied. Dit betaalmiddel speelde wel een rol in de uitwisseling van prestige goederen tussen elitetroepen en diverse stammen. Tevens waren munten een geliefd offer voor de goden. Verder is er vrij weinig gevonden uit de periode dat de Kelten vanaf 500 voor Christus tot aan het begin van onze jaartelling in onze streek verbleven.

54 voor Christus-70 na Christus
De Eburonen waren dus in het bezit van hun eigen munten. Rond 51 voor Christus is het Julius Caesar de eerste die over deze stam publiceert in zijn biografie. De befaamde Romeinse veldheer schrijft: “Dit zijn barbaren met vreemde gebruiken.” Ondanks de visie van Caesar was het toch een stam met een lange ontwikkeling. Het was vooral een welvarende stam met een koning, krijgers, ambachtslieden en een boerenbevolking. Eigenlijk zijn deze Kelten de eerste oorspronkelijke bewoners van Limburg. En dus misschien ook wel de eerste Venlonaren. Caesar had problemen met de Kelten, zoveel was wel duidelijk. Als Romeins veldheer had hij een belangrijk aandeel in het vergroten van het Romeinse Rijk en de bijbehorende macht. Rond 58 tot 53 voor Christus verbleef Caesar in deze streek om ook hier voor gebiedsuitbreiding te zorgen. Zijn legioen veroorzaakte veel onrust; het volk was bang en verborg veel van hun schatten in de grond uit angst voor Romeinse plunderaars. Hij veroverde het huidige Belgische gebied en een deel van Zuid-Nederland. De frustratie van Caesar over de Eburonen is begrijpelijk, want in 54 voor Christus leed zijn trotse Romeinse leger een dure nederlaag tegen deze opstandige Keltische stam onder leiding van Ambiorix. Waar precies deze slag heeft plaatsgevonden is niet duidelijk, maar diverse plaatsen claimen deze gebeurtenis; waaronder ook Venlo. De Venlose Revue ‘De slaag um ut Jaomerdal’ uit 2010 is deels op dit verhaal gebaseerd. De Venlose legende beweert dat het Romeinse legioen op deze plek werd verslagen en dat het gejammer van de soldaten tijdens en na die veldslag de reden is voor de huidige naam. Maar ook het Belgische Tongeren – waar een beeld van Ambiorix staat – en Zuid-Maastricht beweren dat deze roemruchte slag er plaats vond. Nooit zijn er echter ergens overtuigende archeologische vondsten gedaan. Zeker is dat de slag ergens tussen Rijn en Maas heeft plaatsgevonden. Ambiorix, de koning van de Eburonen, betaalde zijn soldaten uit met de oudste bekendste Limburgse munt: de Eburonen Stater. Dit tijdperk tekende tevens het einde van de prehistorie.

Later werden de Eburonen alsnog door de Romeinen verslagen en uitgeroeid (Hoofdfoto artikel toont de overgave van de Kelten aan Julius Caesar). Op uitnodiging van de Romeinen nemen Germanen uit de omgeving van de Rijn de plaats van de Keltische stam in. Romeinse kolonisten verblijven aan de andere kant van de Maas. Eigenlijk betekent deze stap het begin van Venlo. Sinds Romeinse tijd is dit gebied redelijk continu bewoond gebleven.

Bronnen:
Venlo 20 eeuwen wonen aan de Maas – M. Dolmans, F. Hermans e.a
Historische stedenatlas van Venlo – F. Hermans e.a.
Venlo in Jaartallen – J.P van Gasselt
Cursusmateriaal Venlogie
Limburgs Museum

Terug