Venlo door de eeuwen heen – Deel 28: ‘Wij weten wat honger lijden is, dat gun ik geen mens’

23 december 2021

In dit en het volgende deel van deze serie vertellen een aantal betrokkenen over hun ervaringen tijdens de maanden van bombardementen en de daaropvolgende Hongerwinter. Jo Peeters en Marianne Lamberigts-Bonsel haalden een aantal jaren geleden hun herinneringen op voor de – inmiddels niet meer actieve – website Venloos Verleden. Om deze verhalen niet verloren te laten gaan, krijgen ze nu een plaats op dit platform. Het zijn persoonlijke ervaringen die voor altijd essentieel blijven.

Tekst: Rob Buchholz | Beeld: Leon Vrijdag en collectie Marianne Lamberigts-Bonsel 

Jo Peeters verbleef tijdens die periode van de bombardementen en de strenge winter van 1944/1945 op diverse adressen in eigen stad, maar evacueerde later noodgedwongen naar Friesland. Tijdens deze barre laatste maanden van de tweede wereldoorlog zag hij veel ellende voorbij komen. Zowel bij de eigen gezinssituatie, als ook bij andere families. Zaken die hij nu nog steeds niet vergeten is. Tijdens de eerste zware bombardementen op de stad was Peeters vijftien jaar. Een prille tiener, maar toch rustte op hem al de zware taak om de vaderrol voor het gezin op zich te nemen. “Mijn oudste broer zat gevangen in Duitsland, mijn vader was opgepakt en bij de Arbeidseinsatz (de gedwongen inschakeling van arbeiders uit de bezette gebieden tijdens de Tweede Wereldoorlog) geplaatst. Andere broers waren inmiddels ondergedoken. Ik mocht dus voor mijn jongste broertje, zusje en moeder zorgen. Dat was bijzonder moeilijk, maar tevens logisch om te doen. Zij hadden mij in deze zware tijd nodig.”

Eten halen
Straelseweg 155 in Venlo was in september 1944 nog zijn ouderlijk huis. De zorg voor de overgebleven gezinsleden betekende onder andere dat Jo Peeters in het najaar één keer per twee weken op de fiets naar Sevenum vertrok om eten te halen. Zelfs in die periode was het al lastig om voldoende voedsel voor iedereen te krijgen. “Die fiets had geen echte banden meer, dus reed ik de hele weg naar Sevenum op de velgen. Gelukkig was bij die mensen bijna alles verkrijgbaar: Balkenbrij, zout, meel et cetera. Ik was daarom blij met mijn karretje om het voedsel mee naar Venlo te nemen.”

Honger
De tochten naar Sevenum werden steeds lastiger. Peeters werd zelfs één keer door een SS’er bij de stadsbrug staande gehouden. “Hij wilde mijn karretje vol eten afnemen. Gelukkig greep een meerdere van hem in en die zei: ‘weet jij wel wat het is om niets meer te eten te hebben.’ Vervolgens kreeg ik alles terug, maar het was wel de laatste keer dat ik naar Sevenum ben gefietst voor eten want niet veel later werd de brug naar Blerick vernietigd.” In november startten de Duitsers met het instellen van sperzones. Gebieden waar het vanaf dat moment verboden was om te verblijven. De familie Peeters verhuisde eerst naar Straelseweg 155 bij een tante. Toen de sperzones echter verder werden uitgebreid, vond de volgende evacuatie plaats naar de Veldenseweg 160; precies tegenover de Meisjesschool.

Jo Peeters

Paard slachten
Voldoende voedsel voor iedereen te krijgen werd steeds lastiger. Dus was het noodzakelijk minder vriendelijke acties te ondernemen, zo weet Peeters zich te herinneren. “Op de hoek van de Straelseweg en de Molenstraat vlakbij tankstation Ut Pumpke was een kleine parkeerplaats. Op die plek stonden paarden van de Duitsers gestald. Een van mijn ooms heeft daar toen een schimmel gejat, plaatste het dier bij hem in de schuur en zorgde dat het voor korte tijd voldoende haver kreeg om meer vet op de ribben te kweken. Vervolgens gaf mijn oom een slager de opdracht het paard te slachten. Deze kwam gewapend met een bijl naar de schuur. Het dier kreeg een zak over het hoofd, werd buiten bewustzijn geslagen, vervolgens de nek afgesneden en geslacht. Onze tante maakte er draagbare ham van. Nee, niemand vond het leuk dat te doen. Wie echte honger heeft, gaat ver.”

Winter
Zoals gezegd werd het voedsel aan het einde van 1944 steeds schaarser. Vooral december was volgens Peeters de meest rotte maand. “Steeds meer mensen hadden honger. Ik heb dat in die laatste maanden van 1944 in Venlo meegemaakt, maar ook later bij de evacuatie naar Friesland. Ja, wij weten wat het is om echt honger te lijden en dat gun je niemand.” Het einde van 1944 naderde. Inmiddels heerste Koning Winter en was het steenkoud in Venlo. “Ja, er lag veel sneeuw,” zo weet hij zich te herinneren. “Gewapend met een jutte zak vertrokken wij vanuit de Veldenseweg per slee naar ’t Ven, op zoek naar voedsel. Het enige eetbare waar wij mee terug kwamen waren spruitenkoppen van het land. Dat was eetbaar. Ja, daar was iedereen in het huis zo blij mee dat er zelfs een spontaan feestje werd gevierd. Er was voedsel; spruitenkoppen. De honger was weer even gestild.”

Evacuatie naar Duitsland
Op 14 januari 1945 kreeg de familie Peeters het dringende verziek om het huis aan de Veldenseweg te verlaten. Deze evacuatie betekende deze keer ook echt weg uit Venlo. Ondanks de striemende kou en het dikke pak sneeuw begon Jo Peeters en de rest van de nog aanwezige gezinsleden aan een voettocht naar het Duitse Kaldenkirchen. Van de overgordijnen waren rugzakken gemaakt om de laatste eigendommen mee te nemen. Eenmaal bij het station van Kaldenkirchen aangekomen, kreeg iedereen een plek toegewezen in de gereedstaande wagons. De mensen waren klaar om via Duits grondgebied naar de noordelijke provincies van Nederland te reizen.

Friesland
De reis in Duitsland verliep relatief rustig. Peeters: “Bij Oldenzaal ging de trein weer de grens over. Terug in Nederland. Onze eerste stop was in Zwolle en daar kreeg ik twee witte boterhammen met boter en een glas melk aangeboden. Geloof me als ik zeg dat wij ons de koning te rijk voelden.” Een dag later reisde het gezelschap per trein verder. Via Sneek naar Leeuwarden. Het was in de treinwagons zo extreem koud dat de tenen van mijn broer bevroren. Ik zat zelf gelukkig vlak bij de deur, had dus wat meer ruimte en kon daardoor regelmatig mijn tenen bewegen.” In Leeuwarden werden de evacués weer hartelijk welkom geheten. “Ze gaven ons eten; onder andere erwtensoep. Voor ons leek het alsof ze alles hadden. Tevens werd iedereen ontluisd. Na dat welkom werden wij verdeeld. Iedereen kwam ergens anders terecht. Mijn plek werd een boerderij in Nieuwebildtzijl, een heel klein dorpje in Friesland. Ja, gezinnen werden gescheiden, maar het was niet anders. De eigen veiligheid en welzijn stonden voorop. Bovendien waren de mensen uit Friesland goed voor iedereen.” Jo Peeters hielp mee op de boerderij. “De boer had koeien, schapen, geiten en paarden. De koeien mocht ik roskammen, de paarden kregen minder aandacht en de geiten waren puur voor de slacht. Het was daar rustig. Er waren geen Duitsers zodat er alle ruimte en kans was om te spelen tot het tijd was om weer terug te keren naar Venlo.”

Brief vader
Marianne Lamberigts-Bonsel werd pas tijdens de Tweede Wereldoorlog geboren – 10 mei 1941 – toch kan zij zich veel gebeurtenissen uit die donkere maanden nog goed voor de geest halen. Het bijzondere aan haar verhaal is dat hierin tevens de herinneringen van haar vader Sander Bonsel zijn verwerkt. Hij was als geschiedenisleraar verbonden aan de Rijks HBS in de stad. Op 15 mei 1945 schreef hij een brief aan zijn zus in Delft om hun op de hoogte te brengen van de deplorabele staat waarin Venlo verkeerde. Hij had gemerkt dat mensen in het Westen daar geen weet van hadden. In deze brief wordt een groot deel van deze hongerwinter in tien kantjes door hem verteld. Marianne Lamberigts is in het bezit van dit historische document en geeft inzicht in zijn verhaal. Een verhaal waarin – geschreven net na de bevrijding – de herinneringen nog vers zijn en waarin de pijn, angst en haat uit die vreselijke periode duidelijk voelbaar zijn.

Marianne Lamberigts-Bonsel

Onderduiken
De familie woonde op Helbeek 85 (tegenwoordig omgenummerd naar nummer 165). De bombardementen op de Venlose binnenstad – die in het najaar van 1944 begonnen – staan Marianne Lamberigts nog helder voor de geest. Wat ze zag, beangstigde haar. “Ik zag vanuit de achtertuin iets groots en dacht als kind dat het een vrachtwagen was. Maar het ontplofte en met het hele gezin doken wij de kelder in. Ja, dat waren wij al gewend. Dat waren de bombardementen. Omdat er in ons huis behalve een kelder ook een grote kruipruimte was die met een verborgen toegang (met enige voorbereiding) te bereiken was, bood deze tijdens razzia’s voldoende ruimte voor pappa en diverse andere mannen uit de buurt. Het was tevens belangrijk dat wij van het onderduiken geen getuige waren omdat het helaas vaker gebeurde dat de vaders verraden werden als de Duitsers aan de deur kwamen. Dan wezen kinderen waar hun vader in de kast of onder de grond verstopt zat. Mamma had ons echter geleerd te antwoorden:’Pappa is naar Amersfoort.’ Dat was de plek waar veel mannen naar toe werden gebracht en dan zochten de Duitsers niet meer intensief verder. Ook na de oorlog zei ik nog vaak tegen mensen: pappa is naar Amersfoort. Dat was ik zo gewend.”

Geen voedsel
Behalve de angst voor de bombardementen, kreeg het gezin Bonsel tevens met honger te maken. “Er was niet veel te krijgen. Mamma gaf mijn jongste zusje borstvoeding, maar voor de rest van het gezin was het lastig om voldoende eten binnen te krijgen. Het lichaam went daar wel aan, maar natuurlijk is dat niet gezond. Je raakt over de honger heen, maar gaat daardoor wel steeds slechter eten.” Marianne weet dat er toen in die laatste maanden van 1944 veel egoïsme was onder de mensen. “Iedereen keek eerst naar de eigen situatie; dus van delen was nauwelijks sprake. Ook al hadden mijn ouders diverse mondjes te voeden; ze kregen bijna niets. Mijn broertje vertoonde reeds tekenen van ondervoeding. Als er bij ons toch al iets te eten was, verdeelden zij dit eerst onder de kinderen. Dat was voor mijn ouders het belangrijkste, maar ik kon de ellende soms van hun gezichten aflezen. Pappa at het minste van allemaal.” Het gezin was gedwongen om zich met kleine beetjes te redden en moest daarbij tevens innovatief zijn. “Als er melk was, maakte moeder er pap van. Daar zat het vel nog op en was dus alles behalve smakelijk, maar je at het want je had honger. Echt honger. Het heeft er wel voor gezorgd dat ik na de oorlog nooit meer melk meer heb gedronken. Verder kregen we wel af en toe eten op de bon, maar ook daar was de verdeling schaars.”

Hitlerjugend en Grüne Polizei
In het verslag dat de vader van het gezin naliet valt zijn afschuw te lezen over het feit dat mensen zomaar op straat door leden van de Wehrmacht werden opgepakt om op het vliegveld op de Hei alles op te ruimen. De daders van deze acties waren echter niet alleen Duitsers, zo blijkt uit zijn relaas. “We hadden hier zo’n halve gare SS-politieagent, een Nederlander, die Venlo gedurende drie maanden geterroriseerd heeft. Die sleurde alles mee en schoot elke vijf minuten zijn pistool leeg. Hij had er een stuk of vijf bij zich en later nog een machinegeweer.” In het najaar van 1944 krijgt de stad tevens te maken met de Hitlerjugend en de Grüne Polizei. Over de Hitlerjugend schreef Bonsel: “Snotneuzen van 11 tot 15 jaar die iedereen met een geweer bedreigden, fietsen stalen en in de huizen kwamen om te stelen wat ze nodig hadden.” Ook over de Grüne Polizei is hij duidelijk in zijn woorden: ‘het puikje van die moffenzooi.’ Uit angst om ontdekt te worden, verbleef de vader van het gezin soms dagen achter elkaar onder de vloer. Een overval was elk moment van de dag mogelijk. Mannen die opgepakt waren, moesten tankgrachten en loopgraven aanleggen. “Als er niet genoeg kwamen, werden er dertig burgers doodgeschoten.” Ondanks alle dreigementen wist Sander Bonsel zichzelf telkens in veiligheid te stellen.

Beangstigend
Een van de meest angstige momenten die het gezin moest ervaren, was de dag dat ook de Klaasstraat gebombardeerd werd. “In korte tijd stond de Klaasstraat, de Klaaskerk, Zusterschool, Sint Martinuskerk en Broedersschool in lichterlaaie. Het was beangstigend, aangezien er een sterke wind stond en het gevaar bestond dat de hele stad er aan zou gaan,” zo schrijft vader Bonsel in zijn brief van 15 mei 1945. Het resultaat was dat de hele binnenstad van Venlo in een grote puinhoop veranderde. Bovendien was er geen licht, water, gas en kolen meer. Hoewel het huis van het gezin zich inmiddels ook binnen de sperzone bevond, besloten vader, moeder, oma, plus kinderen en natuurlijk Fien toch te blijven en in de kelder te schuilen. “Maar dat duurde niet lang en we werden we op een zaterdagmiddag door drie van die vuile rotmoffen uit ons huis verdreven,” aldus een quote uit de brief. Het gezin vindt tijdelijk onderdak in een kelder van het Thomascollege.

Grote evacuatie
Inmiddels was Venlo in december 1944 frontstad geworden. In december volgde de grote evacuatie. Veel Limburgers en dus ook Venlonaren werden gedwongen naar het Noorden te vertrekken. “Ja, ook onze trouwe Fien evacueerde met haar familie vanuit Limburg naar Groningen.” Hoe ellendig de mensen zich voelden blijkt wederom uit de brief van Mariannes vader. “Dikwijls waren wij jaloers op degenen die bij een bombardement omgekomen waren. Ons interesseerden de granaten en bommen niet meer. Het zou een verlossing zijn.” Ook Marianne Lamberigts en de rest van het gezin werden wederom gedwongen om te vertrekken. Gedurende twee maanden tot aan de bevrijding was een woning in de buurt van het klooster Nazareth in ’t Ven hun thuis, van 17 januari tot begin maart.

Murw gebeukt
Nadat de Amerikanen in maart 1945 vanuit Kaldenkerken Venlo binnentrokken, heerste er in Venlo echter geen grootse jubelstemming. Veel inwoners van de stad waren arm, hadden geen bezit en dus ook geen kleding. Het volk was murw gebeukt door het oorlogsgeweld. In de eigen woning van het gezin Bonsel bleken bijna alle bezittingen gestolen te zijn: het linnengoed, zilver, porselein, kleding, tapijten, schemerlampen, potten en pannen. Zelfs de klokken waren gestolen. “Je kunt je indenken dat we de moffen haten; dit is gedaan door de doodgewone Wehrmachtsoldaat die er zijn hysterisch wijf mee verrijkt,” zo schrijft vader Bonsel in de brief. De afkeer tegen de Duitsers zit begrijpelijkerwijs diep. De fysieke en psychische wonden zijn nog vers. Het belangrijkste was echter dat het gezin nog compleet was. Dit in tegenstelling tot vele andere Venlonaren die hun dierbaren hadden verloren; vooral tijdens de hevige bombardementen en de gevolgen van de hongerwinter. De stad was verwoest en een deel van Nederland was in maart 1945 nog niet bevrijd.

Maastricht
Mariannes ouders gingen op het aanbod van een oom en tante uit Maastricht in om haar voor een tijdje in hun eigen huis op te nemen. Deze stad was eveneens bevrijd, maar beduidend minder gebombardeerd dan Venlo. Vlak voor haar verjaardag op 10 mei 1945 keerde ze terug naar haar geboortestad. “Ik was blij om terug te zijn en dat wij ook weer gewoon op straat konden spelen.” De Venlonaren pakten hun leven weer op, maar iedereen moest van voor af aan beginnen. Huizen waren volledig of minimaal deels verwoest, kleding en voedsel waren nog schaars en geld was er eveneens niet. De oorlog was dan weliswaar voorbij, maar de sporen die het geweld had achtergelaten zaten diep. Het gezin besloot weer de woning aan de Helbeek te betrekken. Een wijs besluit; de moeder van Marianne bleef er tot begin jaren 90 wonen. In dat huis met zijn eigen verhaal van een bijzonder gezin.

In het volgende deel komen de verhalen van Frans Boom Marianne en Sjraar Meegens aan bod. Ook zij hebben de gruwelijke maanden vanaf oktober 1944 tot en met de Hongerwinter bewust meegemaakt

Bekijk ons magazine

Blader door onze artikelen in Venlovanbinnenstad

Hol-ogig egoïsme

Hol-ogig egoïsme

Column: Jac Buchholz | Beeld: Peter Janssen Het is op momenten chaos troef op de belangrijkste tweewielerverkeersader door de Venlose binnenstad. Die loopt van de Martinusstraat via de Grote Kerkstraat, Begijnengang en Nieuwstraat naar de Koninginnesingel. Fietsers...

Venlose binnenstadwinkeliers zeggen nee tegen winkelen met 2G

Venlose binnenstadwinkeliers zeggen nee tegen winkelen met 2G

De Venlose burgemeester Antoin Scholten liet in een interview met De Limburger weten dat hij vreest voor een invasie aan ongevaccineerde Duitsers die in Venlo willen winkelen. Hij pleit daarom voor invoering van 2G. Voorzitter Erik Manders van winkeliersvereniging...