Venlo door de eeuwen heen – Deel 29: ‘Rondom de bevrijding heerste echt geen feeststemming; het ging om overleven’

30 december 2021

Ook in dit deel van deze serie vertellen een aantal betrokkenen over hun ervaringen tijdens de maanden van bombardementen en de daaropvolgende Hongerwinter. Frans Boom en Sjraar Megens haalden een aantal jaren geleden hun herinneringen op voor de – inmiddels niet meer actieve – website Venloos Verleden. Om deze verhalen niet verloren te laten gaan, krijgen ze nu een plaats op dit platform. Het zijn persoonlijke ervaringen die voor altijd essentieel blijven.

Tekst: Rob Buchholz | Beeld: archief VenloVanbinnen, collecties familie Boom en familie Megens

Op 17 januari 1945 krijgt de familie Boom te horen dat ze moesten evacueren. Het was de bedoeling om naar Noord-Nederland te vertrekken. Inmiddels verlieten al veel andere evacués de stad via de Kaldenkerkerweg. Vader Boom had in zijn winkel nog een doos vol met oorwarmers staan en deelde deze uit aan de mensen die zijn zaak passeerden. Behalve de ouders met de vier kinderen ging tevens een broer van moeder Boom mee (Oom Piet). De familie reisde per fiets naar het Noorden. Bepaalde momenten van de tocht weet Frans Boom zich nog goed te herinneren. Onder andere dat niet alle Duitsers het slecht met Nederlanders voor hadden. Dit is zijn verhaal over een historisch, maar tevens droevig jaar: 1945. “Er was armoede en dus ook veel ellende en honger. Maar je accepteerde het. Het ging om overleven.”

Frans Boom

Barre tocht
De dag na het bevel om te evacueren, vertrok het gezin dan ook. Vader en moeder hadden zo veel mogelijk spullen voor onderweg ingepakt. “Direct nadat wij de grens gepasseerd waren – ik geloof in Straelen of Geldern – zagen we van afstand een Duitse militair in uniform staan. De Duitser sprak mijn vader aan en vroeg: ‘Bis dich det Toën?’ Het bleek gelukkig voor ons een oude zakenrelatie van vader te zijn. Hij adviseerde ons een andere richting te nemen. Op die hele route hebben we drie keer bij Duitse mensen geslapen. Wij kregen daar vaak zelfs goed te eten en te drinken.” Op een later moment gedurende deze barre tocht door de winter van 1945 kwam de familie een groep Duitse militairen tegen. Frans Boom geeft toe dat hij angst had dat zijn vader of oom zouden worden opgepakt. Het tegendeel bleek waar. “De leider van de groep riep een paar militairen bij zich met het verzoek ons te helpen om verder de berg op te komen.” De tocht duurde lang en zorgde voor veel onzekere momenten. Niet alleen bleef de angst voor de Duitsers –ondanks de soms positieve ervaringen – groot, maar Koning Winter regeerde in die periode met strenge hand. Een combinatie van snijdende wind en flinke pakken sneeuw maakten de weg naar veiligere oorden bar en boos. “Regelmatig hebben we onder moeilijke omstandigheden ergens moeten overnachten. In Gendringen (Gelderland) belanden we in een soort gemeenschapshuis waar meerdere Venlonaren en Limburgers verbleven. De slaapzaal was overvol, maar we waren blij met ieder stukje veiligheid. Uiteindelijk hebben we daar met een aantal kinderen spelletjes gedaan. Dat mag vreemd klinken, maar zoals eerder gezegd: als kind zag je het gevaar en de ernst van de situatie niet in.”

Familie Hakvoort
Later ging de tocht van de familie verder naar Zutphen en Doetinchem. “Onze schoenen waren door het vocht volledig verrot. Bij een boerderij belden we aan om voor eten en nieuwe schoenen te vragen. De boer en boerin hebben ons met een riek en een kwade hond van het erf verjaagd. Ja, dat was in ons eigen Nederland. Dat was eigenlijk onze eerste echte negatieve ervaring tijdens die barre tocht.” Piet Thijssen (de oom van Frans) besloot om op eigen gelegenheid naar Friesland te gaan. Daar heeft hij het einde van de oorlog afgewacht. De uiteindelijke verblijfplaats was bij de familie Hakvoort in Bathmen (in de buurt van Deventer). Het was geen prettig gezin, zo weet Boom zich te herinneren. “Ze keken ons met de nek aan. Zij waren Rooms-katholiek en hun buren niet, maar als we –ondanks betaling – niet voldoende te eten kregen van de familie Hakvoort, gingen we naar de buren toe. Daar kregen we dan meer om onze buikjes te vullen en dat vonden de heer en mevrouw Hakvoort weer niet leuk. Pas later hoorden wij dat ze eigenlijk stinkend rijk waren.”

Frans Boom

Bevrijding
De familie Boom was dus niet in Venlo toen de stad op 1 maart 1945 bevrijd werd. “Het gebied waar wij verbleven was sowieso later aan de beurt. Ik geloof ergens in april, een maand later dus. Wij zagen hoe Canadezen Bathmen bevrijden. In eerste instantie dachten wij, dat het Engelsen waren. Daar kwam bij dat niemand van ons de Engelse taal machtig was. Gelukkig spraak één van de soldaten wel Duits en kon mijn vader met hem in gesprek. Zij deelden onder andere witbrood voor ons uit. Ik kan me niet herinneren ooit zo’n lekker wit brood gegeten te hebben.” Hoewel de bevrijding officieel een feit was, werd er in noordelijke richting nog gevochten. “Volgens mij heerste er dan ook geen echte uitgelaten feeststemming onder de mensen. Iedereen was wel blij deze angstige periode heelhuids overleefd te hebben. Mijnheer Hakvoort klaagde overigens dat er een ruitje in zijn voordeur kapot was gegaan. Dat was echt het enige. Mijn vader keek hem aan en zei: man, je moest eens weten wat wij allemaal meegemaakt hebben.”

Armoede
Toen duidelijk werd dat ook de eigen stad bevrijd was, ontstond het idee weer naar Venlo terug te keren. “Wij hoorden echter slechte berichten. Alles was kapot geschoten. Daarom vroegen onze ouders zich af of het wel veilig was. Vader besloot daarom met zijn zwager (Sjeng van de Essen uit de Papegaaistraat) op de fiets vooruit te gaan om situatie aan het thuisfront te beoordelen. Wij bleven achter en het leven was toen zeker niet eenvoudig. Er was nauwelijks voldoende eten. Ja, je mag gerust zeggen, dat er ook na de bevrijding gewoon nog echte armoede heerste.” Pas nadat de berichten uit Venlo aangaven dat de situatie veilig was, volgde de rest van het gezin Boom. Eerst op een open kar, vervolgens met paard en wagen en het laatste deel werd in een volledig afgesloten vrachtauto afgelegd. Frans Boom kon door de kieren naar buiten kijken en moest constateren hoe bijna alles tussen Nijmegen en Venlo kapotgeschoten was. “Ik zag echt alleen maar kapotte huizen.”

Vernielingen en puin
Bij aankomst in ´t Ven stapte het gezin uit de vrachtauto en ging zelf verder. Het doel was om de eigen woning op Kaldenkerkerweg 114 te bekijken. “Terwijl wij door de straten van De Luien Hook fietsten, haalden we allerlei gekke kunsten uit. De schade was echter zo groot, dat we daar niet konden blijven en zijn toen naar Opa Thijssen gereden. Oma Thijssen was kort na de bevrijding in 1945 van Venlo aan een ernstige ziekte overleden. Daar zijn we enkele weken gebleven. Iedereen vond het eigenlijk heel normaal dat we heelhuids terug waren. Ja, dat was overigens één van de weinige pluspunten: in onze buurt waren geen slachtoffers gevallen. De nadelige gevolgen van de oorlog heb ik met eigen ogen gezien: alles in de buurt was vernield. Er lag alleen maar puin.”

Frans Boom met broers en zussen

Overleven
Later werd de woning weer bewoonbaar gemaakt en was het zaak persoonlijke bezittingen terug te vinden. “Veel Venlonaren en Limburgers hadden van alles uit onze woning gestolen. Ik kan mij nog herinneren dat ik vlak voor kerstmis 1945 een wandeling door de buurt maakte en in één van huizen een opgetuigde kerstboom zag staan met onze kerstverlichting erin. Niemand had namelijk zoiets in die tijd. Alleen wij; dankzij de zaak van pap. Die mensen hadden de verlichting dus uit ons huis gestolen. Gelukkig hielp de politie mee en zijn nog meer persoonlijke eigendommen teruggevonden.” De sfeer was in die maanden na de oorlog alles behalve uitgelaten. Er was geen werk, geen inkomen dus ook nauwelijks eten en kleding. “Nee, de winkel van pap was ook volledig vernield en waren er vanzelfsprekend geen inkomsten. Omdat ik de oudste was, kreeg ik als 11-jarige jongen opdracht werk te zoeken. Ja, dat deed ik gewoon. Je wist als kind niet beter. Ik kon niet vergelijken met de situatie van voor de oorlog. Daarover had ik geen herinneringen. Je kunt er nu lang en breed over praten, maar het was zoals het was. Het ging om overleven. Je accepteerde de situatie en dacht verder nergens bij na. Maar de mensen hielpen elkaar wel. Pas toen we na de zomer van 1945 weer naar school gingen, kwamen we weer langzaamaan in het normale dagelijkse ritme. Al was het leven ook toen nog alles behalve eenvoudig.”

Ongekende luxe
Nu, ruim 75 jaar na dato, vieren wij nog steeds Bevrijdingsdag. Hoe kijkt hij er tegenaan? “De mensen realiseren zich niet, wat wij echt hebben meegemaakt en hoe wij geleefd hebben. De meeste generaties van nu leven in ongekende luxe. Dat is geen verwijt, maar een beetje meer bewustwording mag best. Hoe is het om in een kelder te moeten wonen? Wij leefden van dag tot dag. Wij leefden om te overleven. Daarom is het goed dat onze verhalen nu nog verteld worden. Ook aan de nieuwste generaties. Dit is mijn verhaal; hoe ik het als kind van zes tot elf jaar ervaren heb.”

Fors verlies
De toen 12-jarige Sjraar Megens verloor in het najaar van 1944 tijdens de bombardementen op de stad in één week tijd zowel zijn beide ouders, als zijn broer en twee ooms. Het lichaam van zijn moeder werd pas in juli 1950 bij de bouw van C&A in Venlo teruggevonden. Over het lot van zijn vader, broer en ooms kan hij slechts gissen. Decennialang hield hij hoop dat ze plots voor zijn neus zouden staan. De realiteit lijkt helaas anders. “Ren jong! Ren!” Sjraar Megens hoort het zijn moeder nog roepen. Als op zaterdag 28 oktober iets na tien uur in de ochtend het luchtalarm klinkt. De geallieerden wilden de brug tussen Venlo en Blerick raken, maar ze misten bijna allemaal het eigenlijke doel. Veel Venlonaren kwamen daarbij om het leven.

Sjraar Megens

28 oktober 1944
Megens woonde toen met zijn ouders in een pand op de Kleine Beekstraat nummer 13. Zijn oudere broer was ondergedoken in verband met de spoorwegstakingen. Zus Annie was inmiddels gehuwd en woonachtig in Beesel. Telkens als het luchtalarm afging, vluchtte het gezin richting de kelders van de Paterskerk bij de Kleine Beekstraat. Zo ook die 28e oktober 1944 “Bijna iedere nacht was het raak,” zo herinnert Megens zich die angstige dagen. “Ik was inmiddels alleen met mijn moeder, want pa was bij een razzia opgepakt om loopgraven te graven op het vliegveld. Mam en ik renden de straat over richting de ingang van de kelder. Ik was inmiddels in het gebouw en hield de deur voor haar open. Ondertussen hoorden we de eerste bommen al vallen. Zware bommen, dat kon je horen.”

Gevonden lichaam
Megens is zichtbaar geraakt als hij het verhaal bijna tot in detail vertelt. “Ik was inmiddels in de kelder en dacht dat mam vlak achter mij liep. Andere mensen vingen mij daar op. Maar na mij bleef de deur dicht. Er volgde niemand. Ik wilde haar halen. Gaan zoeken, maar de andere mensen in de kelder hielden mij tegen. Het was te onveilig. Dat bombardement hield vijftien tot twintig minuten aan. Vervolgens ben ik direct de kelder uitgerend om haar te gaan zoeken, maar ik vond haar niet. Nergens meer. Het is secondewerk geweest. Lange tijd rende ze achter mij aan. Wat er in die laatste seconden precies is gebeurd. Ik weet het niet en zal het ook nooit weten. Zes jaar later, in de zomer van 1950, bij de bouw van C&A is haar lichaam gevonden. Nog redelijk intact. Vier meter diep. Het hoofd en een arm waren van het lichaam afgerukt. Maar ze had een tas bij zich met persoonlijke bezittingen zoals een stamkaart, geld en haar rozenkrans. Daarom hebben ze haar weten te identificeren. Zes jaar later dus. Nee, ik mocht haar lichaam niet meer zien. Dat was al in een metalen kist opgeborgen.”

Gigantische puinhoop
In de dagen na de bombardementen van 28 oktober 1944 bleef de toen 12-jarige Sjraar echter hoop houden. “Het was overal een gigantische puinhoop na het bombardement van die zaterdag. Het kerkorgel was naar beneden gevallen. Buiten, vlak bij de kelder, was een bomtrechter. Wat ik nog weet van die serie inslagen? Niks meer. Ik was door angst verlamd. Je bent het even helemaal kwijt. De dag erna werd mijn vader opgehaald en ben ik naar mijn zus in Beesel gebracht. Samen met pap. Hij besloot om samen met zijn twee broers en mijn broer om mam te gaan zoeken. Overal lagen lichamen tussen het puin, maar moeder was onvindbaar. Toch bleven we hoop houden. Niks was zeker op dat moment. Ik moest bij mijn zus blijven. Iedere dag was er nieuwe hoop. Tot die vrijdag een kleine week later. Die vrijdag de 3e november. Mijn zus vond het geen goed plan dat ze telkens naar stad gingen. De dreiging van nieuwe bombardementen bleef. Mijn vader zei: we zoeken alleen vandaag nog. Iedere dag kwam hij teleurgesteld naar Beesel: weer niks gevonden. Weer geen teken van leven. Tot die vrijdag. Toen alles nog erger werd. Toen kwam ook hij helaas niet meer terug.”

Zware bommen
De volgende dag fietste zijn zus Annie naar Venlo. Ook bij de echtgenotes van de twee ooms was geen nieuws. “Iedereen vertelde dat die vrijdag hele zware bommen op de stad waren gevallen, maar niemand had mijn vader (56), broer (25) en ooms gezien. Waarschijnlijk zijn zij ook in de buurt van het Dominicanenklooster om het leven gekomen. Juist op die plek hoopten zij het lichaam van moeder te vinden. Helaas. Op die vrijdag de 3e november sloegen daar opnieuw de bommen in. Maar goed dat mijn zus die dag niet mee is gaan zoeken, anders was ik haar ook kwijt geweest. Zeker dertig jaar lang bleef ik hoop houden. Misschien waren ze wel opgepakt, naar een concentratiekamp gebracht en woonden ze in Rusland. Misschien had iemand een foto van een razzia waarop zij stonden. Vaak droomde ik dat mijn vader en broer plotseling via de achterdeur ons huis binnen kwam lopen. Uiteindelijk bleef ik dus alleen over met mijn zus.”

Evacuatie
Na bombardementen van eind 1944 volgde de vreselijke Hongerwinter. Ook Megens, zijn zus en haar gezin moesten evacueren. Dat gebeurde op 4 februari 1945. “De Duitsers haalden ons uit de kelder. ‘Raus’, riepen ze. Met een hele groep inwoners uit Beesel vertrokken we te voet naar Brüggen, waar ze een aantal dagen in een fabriek moesten blijven. Totdat de Duitsers ons plotseling ’s nachts wakker maakten en naar een veewagon bij het spoor brachten. Bij iedereen bestond de vrees dat we in Russisch concentratiekamp zouden belanden, maar dat bleek uiteindelijk niet het geval te zijn. We kwamen een dag later aan in de Achterhoek. Daar zijn we gedurende de evacuatie goed door mensen verzorgd.”

Verwerkingsproces
Rond 20 mei 1945 keerde Megens terug naar Beesel. Op 28 oktober 1946, een jaar na het bombardement waarbij hij zijn moeder verloor, organiseerde Sjraar Megens samen met zijn zus een uitvaartdienst voor zijn ouders en broer. Het was een onderdeel van het verwerkingsproces. Het leven moest verder gaan. Hoewel hij een jaar eerder op het Thomascollege al geslaagd was voor het gymnasium, ging hij opnieuw naar school. Om de tussenliggende periode tot het nieuwe schooljaar te overbruggen. “Maar het lukt mij niet meer. Ik kwam op het gymnasium van Roermond terecht, zat tussen kinderen van artsen en advocaten, maar ik stortte in. Alle ellende van dat laatste oorlogsjaar ben ik toen pas echt gaan verwerken. De bombardementen, het verlies van mijn ouders, broer en ooms. Het was me te veel geworden. Leren lukte niet meer. Na twee jaar in Roermond koos ik voor de ambachtschool. Vervolgens kreeg ik een baan bij de PLEM en wist dankzij het volgen van cursussen toch een goede carrière op te bouwen. Daar kreeg ik in juli 1950 het bericht te horen dat mijn moeder was gevonden. Bij de bouw van C&A. Het stond in de krant.”

Hoop en frustratie
In de jaren daarna bleven de vragen over het mogelijk overlijden van zijn vader echter door zijn hoofd spoken. Tientallen jaren lang. De vragen bleven. Heel veel vragen. Wat was er nu precies gebeurd? Dat ging gepaard met veel onzekerheid. “Altijd was er hoop. Je weet niks. Er is geen bewijs. Dat is meer dan frustrerend. Er is niks gevonden; geen vingerkootje, geen kledingstuk. Niks. Helemaal niks. Hoe ouder je wordt, hoe meer je er mee bezig bent. Je blijft hopen. Al die jaren. Het laat je niet los. Nooit.”

Duizendponders
Marcel Hogenhuis, docent, geschiedkundige en specialist op het gebied van de Tweede Wereldoorlog gaf Sjraar Megens details over de bombardementen van die vrijdag de 3e november 1944; de dag waarop hij zijn vader verloor. Volgens Hogenhuis zijn die dag bijzonder zware bommen afgeworpen; duizendponders. “De vrijkomende hitte van de explosie en luchtdruk laten een menselijk lichaam volledig desintegreren. Als de vader, broer en twee ooms van Sjraar Megens hierdoor getroffen zijn, kan dit een verklaring zijn waarom er ‘niets’ meer is teruggevonden. Hetzelfde is dikwijls ook het geval bij vliegtuigbemanningsleden waarvan de bommenwerper (met springlading) bij impact explodeerde.”

De reactie van Sjraar Megens spreekt voor zich: “Toen ik van deze zware bommen hoorde, drong het inderdaad tot mij door dat als mijn vader, broer en twee ooms hier inderdaad door getroffen zijn, zij in ieder geval niet hebben hoeven te lijden. Dat voelt voor mij als een opluchting.”

Bekijk ons magazine

Blader door onze artikelen in Venlovanbinnenstad

Hol-ogig egoïsme

Hol-ogig egoïsme

Column: Jac Buchholz | Beeld: Peter Janssen Het is op momenten chaos troef op de belangrijkste tweewielerverkeersader door de Venlose binnenstad. Die loopt van de Martinusstraat via de Grote Kerkstraat, Begijnengang en Nieuwstraat naar de Koninginnesingel. Fietsers...

Venlose binnenstadwinkeliers zeggen nee tegen winkelen met 2G

Venlose binnenstadwinkeliers zeggen nee tegen winkelen met 2G

De Venlose burgemeester Antoin Scholten liet in een interview met De Limburger weten dat hij vreest voor een invasie aan ongevaccineerde Duitsers die in Venlo willen winkelen. Hij pleit daarom voor invoering van 2G. Voorzitter Erik Manders van winkeliersvereniging...