VenloVanvruuger: De Zwarte Dood in Venlo – Deel 2

7 mei 2020 | Leestijd: 5 minuten

Een boek geschreven in het midden van de veertiende eeuw, is dat nog steeds te lezen? Ja, mits de titel Decamorone luidt en Giovanni Boccaccio (1315-1375) de auteur is. Baccaccio schreef het meesterswerk kort na de grote pestepidemie van 1347-1348.

Tekst: Sef Derkx | Beeld: Leon Vrijdag en collectie Sef Derkx

De Decamarone is een verzameling van honderd verhalen, die in tien dagen tijd door tien jongeren worden verteld. Ze zijn de pest in Florence ontvlucht en om de tijd te doden vermaken ze elkaar met verhalen.

Niks voor u, zo’n ouwe meuk? Niet overtuigd? Op initiatief van Ivo van Hove wordt op de website van het Internationaal Theater Amsterdam dagelijks één verhaal uit Boccaccio’s Decamerone voorgelezen. Als ode aan het leven: https://ita.nl/nl/episodes/itas-decamerone/765119/.

De pest trof in 1347 eerst Italië en verspreidde zich vervolgens over grote delen van Europa. Vijf jaar lang vlamde de ziekte keer op keer op, ook in Nederland. Alleen geïsoleerde gebieden bleven gespaard. Onderzoekers namen aan dat de pandemie ontstond in China of Centraal Azië. Wat de oorzaak was, dat de ongevaarlijk pestbacil veranderde in een kwaadaardige was vooralsnog een raadsel.

Op vleugels van verbeelding gaan we naar Venlo, we zweven boven het stadje aan de Maas met zijn vestingwerken, poorten, nauwe en vervuilde straten, overbevolkte huizen, penetrante stank en bewoners in doodsangst.

Venlo 1596

 

In 1451 blijven leerlingen van de schoolmeester thuis vanwege de hoge sterfte door de pest. De schoolmeester krijgt van de stad een vergoeding in de kosten voor levensonderhoud. Leerlingen die thuiszitten, het is anno 2020 niet anders. Er zijn wat betreft overheidsmaatregelen meer overeenkomsten tussen de pest toen en de covid-19 nu. Hoewel… de herbergen bleven gewoon open. We hebben in de verschillende ordonnanties niets gevonden, wat wees op sluiting van deze gelegenheden. Uitsluiting van besmette personen komt daarentegen wel nadrukkelijk naar voren. In 1464 wordt een pesthuis gebouwd buiten de Keulsepoort. Het lag aan de huidige Kaldenkerkerweg ter hoogte van de afslag Vierpaardjes. Uit de stadsrekeningen is bekend dat voor het huis 16.900 stenen nodig waren en dat Jan de Timmerman met een wisselend aantal knechten er ruim zeventig dagen aan gewerkt heeft.

We consulteren restauratie-expert Hai Gout, die op basis van de gegevens tot het volgende komt: “Als ik uitga van het formaat van de stenen van vroeger en van steensmetselwerk, dan kom ik uit op ongeveer 169 vierkante meter. Uitgaande van kleine ramen, zou het vloeroppervlakte 10 bij 18 vierkante meter zijn. Maar dat is wel natte vingerwerk.” Het pesthuis werd ook wel eens aangeduid als leprozerie. Het staat vermeld op de plattegrond van Venlo, die Jacob van Deventer in 1570 vervaardigde.

Kaart Jacob van Deventer

 

De gevolgen van de pestuitbraak in de jaren 1615 en 1616 zijn schrikbarend. Pestlijders, bewoners van pesthuizen en inwoners die zieken verplegen mogen niet meer naar de Sint-Martinuskerk. Ze zijn aangewezen op de kapel van O.L.Vrouw Inghen Dael, die op het kerkhof staat. Daar wordt voor de zieken op zondagen en christelijke feestdagen ’s morgens missen gelezen. Wie vermoedt dat hij besmet is, moet naar dezelfde kapel gaan om de biecht te laten afnemen en alvast het sacrament van de stervenden te ontvangen.

In de verschillende verordeningen lezen we dat wie besmet is, zich niet op de markt mag laten zien. Bovendien is een wandeling over de vestingmuren verboden. Alleen als het strikt noodzakelijk is, mag een pestlijder buitenshuis komen. Om zijn mede-Venlonaren te waarschuwen, wordt hij geacht te zwaaien met een witte vlag. In besmette huizen moeten deuren en ramen aan de straatzijde overdag gesloten blijven. Er mag bovendien geen afval op straat gegooid worden. Linnengoed of kleren van besmette personen mogen alleen buiten de stad in de Maas worden gewassen. Verder mag niets uit pesthuizen verkocht worden en mogen de betreffende bewoners zelf geen water uit de gemeenschappelijke putten halen.

Pestlijders moeten dus geïsoleerd worden, want: soo ghij eenen enige verrotte appel onder hondert duijsent gave appelen op den solder laet leggen, soo sullen se alle verrotten. Eén rotte appel in de mand, maakt alle fruit tot schand. Verderop in het archiefstuk wordt een aantal vreeswekkende huidaandoeningen vermeld, waaraan je builenpest kunt herkennen: vurige carbonckels, anthraces, bubones, pepercoorn ende vuirige vlecken ende sweren soo afschouwelick. Om plaatsvervangend jeuk van te krijgen, toch? Omdat vooral jonge mensen ziek worden, mogen alleen volwassen mannen en vrouwen de chirurgijnen en pestmeesters helpen.

De pest werd gezien als een straf van God. Dat infectie plaatsvond door contact met zieken, kleding of lijken, was bekend. Onbekend was echter, dat vlooien en ratten dragers waren van het pestbacil. Men schreef de verspreiding toe aan ongezonde dampen, stinkende mist en vergiftigde lucht. We vinden het terug in verschillende archiefstukken, waarin het doodszweet van pestlijders als gevaarlijk wordt aangemerkt. Het geldt ook voor de van der damp der geinfecteerden urine en ontlasting. Een pesthuis werd ontsmet door uitroking. De ordonnantie stad rept over de zuiverende werking van de jeneverbes. Takken van de heester moeten binnenshuis worden verbrand. De vlam verteert dat quaet gift uit de lucht. Huizen waarin pestlijders zijn gestorven, moeten eerst de jeneverbes-rookbehandeling hebben gehad, voordat ze weer opengesteld kunnen worden.

Begrafenissen zijn alleen ’s nachts toegestaan door een kleine groep van familieleden. In de jaren dertig van de zeventiende eeuw slaat de pest opnieuw ongenadig toe. Er komen zoveel mensen te overlijden, dat de landerijen braak komen te liggen en Venlo op een spookstad lijkt.

De pestmeester

 

Door de voorspraak van een pestheilige in te roepen, hoopte men gevrijwaard te blijven of ervan te herstellen. In West-Europa werd Sint-Rochus in het bijzonder vereerd. In 1317 ondernam de op dat moment nog niet heilige Rochus een pelgrimstocht naar Rome. Hij kreeg de pest, trok zich terug in een bos en werd daar door een engel genezen. Na zijn dood verscheen een engel, die verkondigde dat iedereen die Rochus aanriep tegen de pest, genezen zou worden.

In de Sint-Martinusbasiliek vinden we een zestiende-eeuws Sint-Rochusbeeld. De heilige is vereeuwigd als Rome-pelgrim. Hij draagt een pelgrimshoed met jakobsschelp en heeft een pelgrimsstaf vast. De zoom van zijn tunica heeft hij omhooggetrokken, waardoor de sweren soo afschouwelick zichtbaar zijn. De engel reikt een kompres aan. In 1678 heerste in Steyl dysenterie. Er werd een kapel opgericht, die gewijd was aan Rochus en Sebastianus. Het beeld van Sint-Rochus uit deze kapel wordt heden ten dage bewaard in het Limburgs Schuttersmuseum.

Kerken en musea zijn echter gesloten in deze fase van de lockdown. We kunnen dus niet naar een van de beelden van Sint-Rochus. Gelukkig biedt onze wijnvoorraad uitkomst. We openen een fles Saint-Roche rosé, uit het gelijknamige dorp in de Gard en vertrouwen erop dat de hemelse naamgever van de wijn ervoor zorgt, dat we bespaard blijven van corona.

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl

Bekijk ons magazine

Blader door onze artikelen in Venlovanbinnenstad