VenloVanvruuger: Kapucijnenkerkhof

16 juli 2020

Viert u dit jaar vakantie Rundumhausen? In dat geval hebben we een tip voor een interessante trip. De kleinste begraafplaats in Venlo – het Kapucijnenkerkhof in de Jochumhof in Steyl – kunnen wij u van harte aanbevelen. Welgeteld vier personen zijn hier ooit begraven, onder wie twee fraters kapucijnen. We kenden ze alleen bij hun welluidende kloosternamen die worden vermeld op een plaquette aan een muur: Angelicus en Agalhangelus.

Tekst: Sef Derkx | Beeld: Leon Vrijdag & collectie Sef Derkx

Les Archives Capucines in Parijs waren ons behulpzaam bij het zoeken naar meer informatie. Daaruit blijkt dat wat vermeld wordt op het bordje in de Jochumhof niet correct is. Francois Bonnet werd geboren in 1861 en trad op negentienjarige leeftijd in bij de kapucijnen. Hij kreeg de kloosternaam Agathangelus. Zijn naam is dus verkeerd gespeld, een kniesoor die daar op let. Op 1 november 1885 deed hij de eeuwige gelofte in het klooster in Steyl, op 22 december van hetzelfde jaar stierf hij. Louis Herbaux, als kloosterling frater Angelicus, leefde van 1865 tot 1889. Hij overleed midden in de nacht aan een hartaanval. De jaren van geboorte en overlijden van de religieuzen zijn verwisseld op de plaquette.

De kapucijnen vestigden zich in 1882 in Steyl. Kort tevoren hadden ze hun klooster in Crest in Frankrijk verlaten. De Franse overheid wilde de invloed van de kerk indammen en verbood bijvoorbeeld katholiek onderwijs. De antiklerikale sfeer in hun vaderland was reden voor de kapucijnen om uit te wijken naar het door en door katholieke zuiden van Nederland. In Steyl kochten ze een villa met grote tuin van de familie De Rijk, dichtbij de Maas. Het kapitale pand is in de loop van de tijd enkele malen verbouwd en uitgebreid om uiteindelijk in 1975 gesloopt te worden. Er is echter nog een herinnering aan de tijd dat de kapucijnen er woonden en dat is de torenhoge mammoetboom, die zijn naam heeft gegeven aan de Sequoiahof. De verbanning van de kapucijnen zou zeven jaar duren, in 1889 gingen ze terug naar hun klooster in Crest, dat nog steeds door deze kloosterorde wordt bewoond.

 

In het kloosterdorp Steyl, van vooral Duitse missionarissen en missiezusters, waren de Franse kapucijnen vreemde eenden in de bijt. Wat zeker gespeeld zal hebben was de openlijk vijandschap tussen Frankrijk en Pruisen, die geleid had tot een oorlog van 1870 tot 1871. Broeder Heinz Helf van het Missiehuis attendeerde mij op herinneringen aan de kapucijnen, die opgetekend zijn door de Steyler broeder Martin Jürgens (1855-1942). Het beeld dat uit deze geschriften opdoemt, is er een van ontberingen en armoede. De salon van de aangekochte villa werd kapel, de bovenverdieping was de slaapruimte. Bij elke cel hing een mosterdpotje dat als wijwaterbakje dienst deed.

Martin Jürgens: “De kapucijnen spraken geen Nederlands en geen Duits en konden daarom niet preken of biecht horen. Het was duidelijk dat ze aan het Hollandse klimaat niet konden wennen. Ze liepen altijd barrevoets, met alleen simpele sandalen aan. In de winter hadden ze blauwe voeten van de kou.” De Duitse religieus verwonderde zich zeer over het eten van de Fransen. Wanneer een feestdag naderde werd met knuppeltjes jacht gemaakt op kikkers aan de oevers van de Maas. Cuisses de grenoilles, kikkerbilletjes met knoflook, gelden nog steeds als een delicatesse in de Franse keuken. De kapucijnen maakten ook jacht op slakken: “Ze trokken daar soep van, die naar ze zeggen, in hun vaderland met smaak wordt gegeten. Maar je moet er toch niet aan denken zo’n gerecht voorgezet te krijgen. In het voorjaar zochten en sneden ze in weilanden ook het jonge, groene loof van paardenbloemen. Ze bereidden het tot groente of sla.” De Duitse broeder Jürgens gruwt ervan, maar soupe aux escargots is een traditioneel gerecht dat onder meer Paul Bocuse inspireerde tot een bijzondere culinaire creatie. De inwoners van Steyl staken de rozetten van paardenbloemen als voer voor de konijnen. Ongetwijfeld gebeurt het nog steeds. De kapucijnen wisten dat de jonge, bleke blaadjes smakelijk zijn in de sla. Bij de horecagroothandel worden in tunnels gekweekte bladeren van de paardenbloem overigens verkocht als molsla. Ze schijnen niet alleen heerlijk te zijn, maar ook gezond. Want heeft u wel eens een konijn gezien met bloedarmoede?

We maken een sprongetje in de tijd en gaan naar 1933. Om de priesterstudenten in direct contact te brengen met de natuur, start biologieleraar pater Peter Jochum met de aanleg van een tuin voor bijzondere planten, heesters en bomen. In de loop van de jaren groeide die uit tot een heuse botanische tuin. Het enthousiasme van de ‘groene’ pater werkte aanstekelijk. Van kwekers uit de buurt kreeg hij bijzondere bomen. Steyler paters en zusters namen stekjes en zaden mee uit missieposten in Azië, Afrika en Amerika. Pater Jochum liet de negentiende-eeuwse graven van de kapucijnen uit piëteit ongemoeid. Sterker nog, in de tuin vond in het voorjaar van 1935 Trinette Kreykamp-Houtmortels een laatste rustplaats. De 53-jarige echtgenote van Frans Kreykamp woonde met haar gezin in villa Sevenster, in de nabijheid van de Jochumhof. Ze zal ongetwijfeld een bijzondere band met het plekje hebben gehad.

De vierde die op de plaquette van het kapucijnenkerkhof wordt vermeld is Wilhelmina Thissen. Ze is slechts 21 jaar geworden. Mientje, zoals ze werd genoemd, was sinds 1939 werkzaam in de keuken van het Missiehuis. Eind november 1944 kwam Steyl onder geallieerd granaatvuur te liggen. De religieuzen en inwoners van het dorp zochten bescherming in de kelders van de verschillende kloosters. Op 21 november 1944 was er volop kanongebulder, vliegtuiggeronk en afweergeschut te horen. In de middaguren kreeg het Missiehuis enkele voltreffers. Een van de broeders had een granaatscherf van twintig centimeter opgeraapt en liet die zien aan Mientje. De jonge vrouw kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en liep naar buiten om te gaan kijken. Ze werd door granaatscherven in haar borst, longen en rug getroffen. Enkele minuten later overleed ze. Twee dagen later werd ze in het bijzijn van haar ouders, broers, zusters, haar verloofde, enkele paters en pastoor begraven op het Kapucijnenkerkhof.

In 1974 werd de gemeente Tegelen eigenaar van de Jochumhof, de vier graven zijn helaas geruimd.

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.

Terug