VenloVanvruuger – Plaats van herinnering (2)

11 juni 2020

Waar staan we? Bij het Christusbeeld op de Keulsepoort. We kijken richting Parade en Nassaustraat. Voor Venlo is dit een plaats van herinnering, een plek waar de geschiedenis zwaar drukt. Hier vindt op vrijdag 13 oktober 1944 het eerste bombardement plaats in de serie geallieerde luchtaanvallen op de Maasbruggen. Balans van deze zwarte dag: 59 dodelijk slachtoffers. Veel mensen raken gewond of worden dakloos. Het prachtige Rembrandttheater, dat op deze plek staat, krijgt de volle laag en wordt in luttele minuten tijd tot een puinhoop. Over de schouwburg en wat ervoor in de plaats komt in de jaren van de wederopbouw, gaat het in deze tweede blog.

Tekst: Sef Derkx | Beeld: collectie Sef Derkx, Piet Braem en Leon Vrijdag

Op zondag 4 oktober 1925 opent Jean Pollak – een Venlonaar met Servische roots – een nieuw theater aan de Nassaustraat. De hoofdingang is via het voormalige Maastrichts Bierhuis aan de Parade. Op de dag van de officiële opening ziet het zwart van de belangstellenden, de sterke arm bemoeit zich met het ordelijk verloop. Pollak heeft uitgepakt, het knapenkoor van de Sixtijnse kapel uit Vaticaanstad verzorgt een optreden. Voor de openingsweek is er een speciaal programma. Als de bezoekers plaats hebben genomen, speelt het huisorkestje de feestmars Vivat Pollak-Theater van kapelmeester Carl Lenders. Vervolgens is er een bioscoopjournaal met het nieuws van die week. Hoofdfilm is De Rozen van Madonna, waarin de verhouding tussen een kunstschilder en zijn model onderwerp is. Klinkt pikant? De film wordt inderdaad herkeurd en ongeschikt geacht voor personen jonger dan achttien jaar. Er zijn zedenprikkelende cabaretscènes in verwerkt. In de eerste week van het Pollak Theater treedt de Venlose sopraan Bella Palla op, die landelijke bekendheid geniet. In 1928 zal de Nieuwe Venlosche Courant met een zweem van spijt melden, dat Bella, ‘die ons zo menigen avond van kunstgenot verschaft heeft’, in zal treden in een klooster bij Antwerpen.

Jean Pollak, bij opening Polaktheater in 1925

 

Waarschijnlijk is Venlo te klein én te bekrompen voor het theater Pollak. In de zomer van 1927 treedt een nieuwe directeur aan, Frits Strengholt uit Den Haag. Het moderne, zakelijke interieur ondergaat een metamorfose. Wanden en plafonds worden gedecoreerd en bij de ingang bezorgen gebrandschilderde ramen bezoekers een kosmopolitisch gevoel. Ook de naam verandert, het is voortaan het Grand Theatre. De kerstprogrammering van 1927 laat een opvallende naam zien, de cabaretier en volkszanger Kees Pruis. Dit zegt u niets? Zijn grootste hit wel, ik wed dat u die kunt zingen:

En datte we toffe jongens zijn
Dat wille we weten, dat wille we weten
En daarom komen wij, en daarom komen wij
En datte we toffe jongens zijn
Dat wille we weten, daarom komen wij
Overal! Overal, overal!
Waar de meisjes zijn, waar de meisjes zijn
Overal, overal!
Waar de meisjes zijn, daar is het bal!

In 1930 is er wederom een wissel van directie en naam. Om met het laatste te beginnen: Grand Theater wordt Rembrandt Theater. De nieuwe directeur is Willem Peters, de ongekroonde bioscoopkoning van Venlo. Hij exploiteert een bioscoop in Venlo en in Tegelen. Bovendien is hij de Limburgse vertegenwoordiger in de almachtige Nederlandse Bioscoopbond. Peters kapt met de variétévoorstellingen en gaat alleen nog films vertonen. Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zit het Rembrandt bij bijna iedere voorstelling vol. De jaren dertig – het decennium van crisis en oorlogsdreiging – zijn de glorietijd voor bioscopen.

Vrijdag 13 oktober 1944 breekt aan. Vanaf vliegbasis Brettigny in Frankrijk stijgen om 9.13 uur 41 vliegtuigen op, met in totaal 212 bommen van 226 kilogram elk. Doel zijn de bruggen tussen Venlo en Blerick.

Keulseport richting Parade, maart 1945

 

Zomer 1945, overal in de verwoeste binnenstad wordt puingeruimd. Nog steeds als ik de beelden uit de Puinfilm van Dré Brenneker en Baer Thiery vertoon, raak ik onder de indruk. Als je in 2020 door hartje stad loopt, is het bijna niet voor te stellen hoe het hier vijfenzeventig jaar geleden uitzag. Venlo is een van de zwaarst getroffen steden van Nederland. Mijn bewondering voor de ‘generatie der gebombardeerden’ is groot. Het centrum moet in de jaren veertig en vijftig grotendeels opnieuw worden opgebouwd. Aan deze naoorlogse architectuur wordt lokaal weinig betekenis gehecht. Ten onrechte. Landelijk gezien is Venlo een belangrijke wederopbouwstad, met enkele bijzondere panden.

Een voorbeeld van een geslaagd wederopbouwmonument is het complex met portiekflats aan de Nassaustraat. Ze staan op de plek van het Rembrandttheater en zijn in 1952 gebouwd naar een ontwerp van architect Ben Hendrix. Bart Brenneker heeft er een deel van zijn jeugd doorgebracht: “Wij verhuisden eind 1952 naar de Nassaustraat 47, naar het appartement met extra kamer boven de doorgang naar de Vildersgats. Voor mijn ouders was het een historisch plek, omdat het de locatie was van het Rembrandttheater. Beiden hadden er in de jaren dertig gespeeld met onder meer Frans Boermans en Funs van Grinsven. Ze hebben er met heel veel plezier gewoond.” Het appartementencomplex aan de Nassaustraat gaf het nog steeds oorlogsgrauwe Venlo weer een beetje een blosje op de wangen. Het steekt kwalitatief uit boven andere flats uit deze periode. In totaal bestaat het gebouw uit vierentwintig appartementen en drie portieken die over de volle hoogte naar voren uitspringen. Die drie opgangen hebben allure door het materiaalgebruik en de detaillering. De appartementen waren geliefd en zijn dat nog steeds.

Grand Theater met ingang aan de parade en zaal aan de Nassaustraat, jaren 30.

 

Op de plek van entreegebouw van het Rembrandt Theater, aan de Parade, bouwt de familie Jacobs in 1958 een dubbel winkelpand met bovenwoning. Het is een ontwerp van de Blerickse architect Baer Sorée, die vanuit zijn woning werkte. Oud-Venlonaar en banketbakkerszoon Jan Verheugen woonde er in zijn jeugd tegenover: “Als je er voor staat, zat links kapper Jacobs. Zoon Eugene Jacobs was mijn klasgenootje. Met hem heb ik nog bij de zeeverkenners gezeten. Rechts was de zaak van fotograaf Pellens, die een moderne uitstraling had. De voorgevel was in betonkleur, in het linker gedeelte onderin waren natuursteentegels met erboven vierkanten verdiepte elementen van beton, die deels geschilderd waren in primaire kleuren. De zijgevel van het pand, aan de kant van het café Sef Cornet (nu Irish Pub), was opgetrokken in rode baksteen. Tevoren stond er een groene schutting, waarop af en toe een affiche hing. Links – aan de kant van Sef Cornet dus – was een doorgang van ongeveer een meter breed. Die ging over in een smal kasseiensteegje naar de Vildersgats. Achter de groene schutting was een gat van de kelders van het Rembrandttheater, waarin oorlogspuin lag.”

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl

Terug