VenloVanvruuger: Dominee Craandijk bezoekt Venlo

12 maart 2020 | Leestijd: 5 minuten

Augustus was vroeger de vakantiemaand voor heel Nederland, van het fenomeen vakantiespreiding had nog nooit iemand gehoord. Er was geen behoefte aan. Echt op reis gaan, zoals nu massaal gebeurt, bestond tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw niet of nauwelijks. In de zomervakantie maakte je uitstapjes in de buurt.

Tekst: Sef Derkx | Beeld: Leon Vrijdag & collectie Sef Derkx

Een favoriete plek voor ons gezin was Schandelo, waar we op bezoek gingen op de boerderij Aerdenhof van de familie Aerts. Het was er zó anders dan in Venlo. In Schandelo liepen kippen vrij rond, zag je koeien, wroetten varkens in de modder en lag naast de boerderij een mestvaalt. In Schandelo proefde ik voor het eerst roggebrood met ‘smalz’, Maar het meest memorabele van alle bezoeken was de wc van de familie Aerts, geklemd tussen keuken en varkensstal. Het was nog een echte poepdoos met deksel!

We gingen naar Schandelo met de fiets. Vanaf de Stalbergweg langs Huize Nazareth, door ’t Ven richting Venkoelen. Als we het Zwart Water voorbij waren, slingerde de weg kort naar rechts en zagen we weldra de eerste boerderijen. Schandelo had voor mijn ouders een bijzondere betekenis. Mijn vader was er met een groep Venlose mannen gemobiliseerd geweest eind jaren dertig. Na werktijd hielden ze een oogje op de weg die naar de grens voerde. Al te serieus namen ze het Duitse gevaar niet. Jaren later vertelde mijn vader nog met glanzende ogen over de feesten die ze in Schandelo gevierd hadden. Mobilisatie was vooral ‘joeks en jen’ geweest. Zoals zoveel anderen gingen mijn ouders in de Tweede Wereldoorlog ook naar Schandelo, maar nu om aan eten te komen. Schandelo is in de verschrikkelijke laatste oorlogsmaanden dé provisiekast van onze stad geweest. In de loop van de tijd ontstond een vriendschapsband tussen ons gezin en dat van de familie Aerts. Over en weer gingen we bij elkaar op bezoek. Ik koester de herinneringen aan deze hartelijke mensen.

Toerisme kwam op gang in de tijd van de industrialisatie en de ontsluiting van ons land door de aanleg van spoorverbindingen. We hebben het dan over de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw. Een kleine, draagkrachtige elite ontdekte ons land. Limburg met zijn grote verscheidenheid aan landschappen en dialecten, zijn afwisseling tussen dorpen en steden, zijn vele kastelen, kerken en andere monumenten gold al gauw als een exotisch deel van Nederland. De eerste toeristen hadden natuurlijk behoefte aan een reisgids die het onbekende verklaarde. Een boek dat in korte tijd ongekend populair werd, is Wandelingen door Limburg, geschreven door Jacob Craandrijk en geïllustreerd door Piet Schipperus. Jacob Craandijk (1834-1912) was leraar Nederlands, doopsgezind predikant, schrijver, tekenaar, maar bovenal beroepswandelaar.

Ik ken niemand uit de Nederlandse literatuur die zoveel gewandeld heeft als dominee Craandijk. Wat zal hij een zolen hebben versleten! Van alle tochten heeft hij verslag gedaan in boeken. Het eerste deel verscheen in 1875, het laatste kwam uit in 1888. De werken van Craandijk leveren een schat aan informatie op over Nederland in de negentiende eeuw. Zijn gids over Limburg verscheen in 1883. Craandijk heeft zeer bijgedragen aan het beeld van Limburg als een buitenbeentje onder de provincies. Als romanticus die verknocht is aan het authentieke en de geschiedenis, is hij lyrisch over het zuidelijk deel van de provincie. Daar wandelt hij ook het meest. Maar de schrijvende dominee is ook in Venlo, Tegelen en Steyl geweest. Blerick beschrijft hij van een afstandje. Hij ziet het liggen als hij van Venlo naar Tegelen loopt.

In 1879 bezoekt hij voor het eerst Venlo. Op het station stapt hij over uit de trein van Rotterdam op die naar Roermond. Het valt hem op dat Venlo een druk knooppunt is van spoorwegen. Je kunt er de trein nemen naar Wesel en Mönchen-Gladbach. Boven de deur van het lokaal waar buitenlandse reizigers worden gecontroleerd, hangt een wapenschild met het opschrift Hertogdom Limburg, terwijl het sinds 1866 toch ‘Provincie Limburg’ moet zijn.

Een jaar later komt Craandijk opnieuw in Venlo, nu met het plan de stad en de omgeving te verkennen. We laten de dominee maar eens aan het woord: ‘Wie Venlo binnentreedt, weet nauwelijks, in wat land hij zich bevindt. Aan zijn eigen Vaderland wordt de Noord-Nederlander nagenoeg alleen herinnerd door een aantal opschriften in zijne taal. Maar zelfs van die woorden en namen is de spelling voor meer dan de helft in het Vlaamsch. Duitsch en Fransch heeft de overhand en op de tallooze kroegen – van de drie huizen zijn er twee ‘cafés’- leest gij doorelkander Schenkwirtschaft, Estaminet en tapperij. Niet alleen vinden wij er de groote koetspoorten en de ruime binnenpleinen, die we ook in Noord-Brabant aantreffen, maar ook de muren van donkere, ongevoegde baksteenen, waarin de vensters en deuren zonder kozijnen zijn gemetseld, die aan Duitsche huizen vaak zo’n ongezellig uiterlijk geven.’

De toon is gezet. Het bevalt de schrijvende wandelaar niet in Venlo: ‘Een doodsche, sombere stad, waar niet veel is, dat het oog aangenaam aandoet.’ Aan de Maas vervolgt Craandijk zijn klaagzang, is door de sloop van de vestingwerken een dorre, kale vlakte ontstaan waar je je beter niet kunt ophouden. Van de Sint-Martinuskerk geeft hij wel hoog op, maar de aanblik van het stadhuis brengt hem weer snel in mineur: ‘Als begin van restauratie is van den halven gevel de geelen pleister afgenomen. Voor ’t oogenblik gelijkt het uitwendige, half geel, half rood op het kostuum van een weesjongen.’ Geen stad om te blijven. Craandijk gaat nog even naar het postkantoor, de voorloper van het huidige, en wandelt vervolgens naar Tegelen. De weg erheen is prachtig. Craandijk gooit alle registers open om het landschap en natuur te beschrijven: ‘Landwaarts in zijn de zacht golvende heuvelen met welig wassende veldvruchten bedekt, terwijl in de verte de blaauwe hoogten op Duitschen bodem in bevallige lijnen rijzen en dalen. Soms loopt een holle weg tusschen de akkers door, of doorsnijdt een laan van hoog geboomte de velden.’

In Tegelen aangekomen, bekijkt hij eerst De Oude Munt. dat wordt bewoond door Duitse zusters benedictinessen. Maar het doel van zijn wandeling is kasteel De Holtmühle. Op weg erheen vallen hem de steen- en dakpannenfabrieken op en de Sint-Martinuskerk. Maar ook de kern van Tegelen kan hem niet bekoren. Kasteel De Holtmühle daarentegen maakt indruk op hem door: ‘Zijn grootte en door den strengen eenvoud zijner lijnen.’

Langs de molens bij het kasteel loopt de dominee naar Steyl waar hij de kloosters van de paters in ogenschouw neemt en vaststelt: ‘Bakker noch brouwer, slagter noch winkelier, timmerman noch metselaar, kleermaker noch smid, schoenmaker noch verver uit den omtrek levert er zijn waren of zijn werk ’t Komt ons dan ook voor, dat de Limburgsche plattelandsbewoner zich weinig aangetrokken gevoelt door de menigte der Duitsche ordegeestelijken, op zijn bodem gevestigd, maar als vreemdelingen verkeerend in zijn land.’ Van Steyl wandelt hij naar het station van Tegelen om op de trein naar Swalmen te stappen.

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl

Bekijk ons magazine

Blader door onze artikelen in Venlovanbinnenstad