Geer van der Veer – Deel 1: De vroege dood van zijn vader heeft hij nooit goed verwerkt

6 november 2019

Een aantal jaren geleden maakten Rob Buchholz en Leon Vrijdag een drieluik over het leven van Geer van der Veer. In een aantal uitgebreide gesprekken sprak hij over zijn leven. Alles kwam daarbij aan bod. Het vroege overlijden van zijn vader, het creatieve talent, zijn opvallende uiterlijk, de zakelijke voor- en tegenspoed, maar ook het gezin en zijn manier om van het leven te genieten en natuurlijk de Schinkemerret. Ter ere van de afgelopen zondag overleden Van der Veer willen we dit drieluik opnieuw onder de aandacht brengen. Het is zijn levensverhaal. Vandaag deel 1.

Tekst: Rob Buchholz | Beeld: Leon Vrijdag

Al op de zesde klas van de lagere school werd Geer van der Veer getest: een creatief en ondernemend type zo luidde het oordeel. “Mijn moeder wist dat. Ik heb het van haar. Ook zij heeft gevoel voor kleuren. Haha, ja dat zie je nu nog dagelijks terug in mijn kleding. Prachtig toch,” zo sprak de markante Venlonaar in 2016.

Bakkebaarden en knickerbocker
Het idee voor de bakkebaarden stamt uit 1968. In verband met het 625-jarig jubileum van de stad organiseerde het Gulde Schinkegilde (winkeliers van Jodenstraat en Kwartelenmarkt) een aantal activiteiten. Een onderdeel daarvan was dat mannelijke ondernemers de baard lieten groeien en dat deze op een zomeravond zou worden afgeschoren. Van der Veer dacht bij zichzelf: niks ervan. Ik laat het staan. Ook de knickerbocker die hij dagelijks droeg, stamt uit die periode. “Die volledige klederdracht heb ik mij zelf in al die jaren eigen gemaakt. Ik wilde anders dan andere mensen zijn.” Dat mensen juist daarom soms vreemd naar hem keken, deerde hem niet. Geer wilde vooral vrolijk zijn, van het leven genieten maar vooral zichzelf blijven. “Ik zou nooit een Bobo kunnen zijn want ik ben gewoon mezelf gebleven en kan daarom ook met iedereen goed omgaan: van de wc-juffrouw tot aan de directeur. Ik ga met iedereen hetzelfde om. ” Van der Veer trok met zijn opvallende uitstraling ook veel bekijks van toeristen. “Zeker drie a vier keer per week willen mensen met mij op de foto.” Als hij met zijn vrouw Jeanne over het Vrijthof in Maastricht wandelde, klonk het van diverse kanten: daar loopt Geer van der Veer. “De mensen herkennen mij overal.”

Tweede Wereldoorlog
Het was dus al vroeg duidelijk dat van der Veer een creatieve en uitzonderlijk kind was. Hoewel Geer op 1 maart 1933 in de 2e Graaf van Loonstraat te Blerick (toen nog Gemeente Maasbree) werd geboren, groeide hij op in de Heutzstraat. “Mijn opa overleed toen ik twee jaar oud was en moeder wilde niet dat oma alleen in dat grote huis bleef wonen.” Op de Heutzstraat kende de familie van der Veer (oma, beide ouders en de drie kinderen) een rustige tijd en woonde daar ook grotendeels tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor hem als kind vooral een spannende tijd. Alleen vanaf het moment dat in het najaar van 1944 de bombardementen op Venlo begonnen, ervoer ook hij als kind de negatieve kanten van deze vreselijke periode. “Tijdens die eerste jaren mochten wij altijd buiten spelen en namen dan een kijkje bij de tanks van de Duitsers. Die waren tegen ons heel vriendelijk. Wij vonden het vooral allemaal bijzonder spannend. Tijdens de Hongerwinter moesten ook wij evacueren en vluchten door de sneeuw naar Kaldenkerken. Het gezin had de mazzel in een reguliere personentrein te belanden, maar daarin was het natuurlijk steenkoud. “Gelukkig was mijn vader bijzonder handig, kroop onder de trein en repareerde de verwarming. Het doel van onze reis was Duurswoude, vlakbij Heerenveen. Daar zijn we ongeveer vier maanden gebleven.”

Overlijden van vader
Vrij snel na de Tweede Wereldoorlog kreeg de familie van der Veer een flinke klap te verwerken. “Ik vond mijn vader dood in huis; gestorven aan een hartaanval. Ik was amper dertien jaar, de oudste van de drie kinderen en er vanaf dat moment dus de man in huis. Die klap heb ik nooit goed verwerkt en is mij mijn hele leven bijgebleven. Hij was de man die ik zo vaak nodig had. Hij zou mij in alles gesteund hebben, maar het heeft helaas niet zo mogen zijn, maar ik weet dat hij vreselijk trots zou zijn geweest als hij kon zien wat ik allemaal bereikt heb. Hij kwam oorspronkelijk uit Amersfoort en daarom spraken wij thuis ABN. Hij werkte als voorman bij de NS, maar was tevens scheidsrechter bij de KNVB. In die hoedanigheid hield hij lezingen over voetbal door heel Noord-Limburg en dan liepen de zalen vol. De mensen hadden veel ontzag voor hem. Dat hij ABN sprak had daar zeker mee te maken. Bijna iedereen sprak gewoon dialect in die tijd.”

Venloos etaleertalent in Zuid-Limburg
Ondanks de zware klap pakte het gezin het leven in de woning aan de Heutzstraat na de dood van vader de draad weer op. Als 16-jarige jongen startte Geer met etaleren. Tot zijn dertigste bleef hij thuis wonen. “Ik startte als etaleur bij Raming in Venlo. Dat was voor mij een geweldige leerschool. Hoewel het een vak is dat je niet kunt leren. Je hebt het of je hebt het niet. De baas bij Raming had snel door dat ik het vak van etaleur wel in de vingers had.” Na zijn periode in dienst keerde van der Veer terug bij Raming, maar al snel kreeg hij de kans op een nog betere baan in Sittard. Geer lacht als hij daar aan terug denkt. “Haha, ja bij mijnheer Hermans. Een textielwinkel. Daar veroorzaakte ik een bom. Het was een winkel met statige en keurige etalages. En toen kwam deze jongen en die veranderde alles. Het zal niemand vreemd in de oren klinken dat ze dat Venlose etaleertalent weer direct wilden elimineren.” Gelukkig kon van der Veer direct daarna starten bij V&D in Heerlen om een proefetalage te maken. Daar kreeg hij bij aankomst direct een duidelijke boodschap te horen. “Jij bent zo ongeveer nummer 30 die aan deze klus begint. Probeer jij er maar eens iets moois van te maken. Succes”

Eerste vaste baan
Het was de taak van Geer om de potten en pannen zo aantrekkelijk mogelijk te etaleren. “Ik vroeg direct of er soms ook een decoratieafdeling was. De mensen van V&D keken mij raar en vragend aan. Het was mijn doel om het anders dan anderen te doen. Ik kreeg het decoratiemateriaal, maakte een spraakmakende etalage en werd aangenomen. Bij thuiskomst was mijn moeder natuurlijk apetrots. Haar zoon had een vaste baan. Het enige nadeel was dat ik iedere dag naar Heerlen moest reizen.”

Van der Veer werkte een tijdje bij het warenhuis en kreeg de verantwoording over vele etalages en showopstellingen in de zaak. “Mot dae Venlose det weer doon,” zo werd er dan soms door anderen enigszins geïrriteerd gezegd. “Later mocht ik zelfs de hele lingeriekast opnieuw vorm geven. Maar daar waren anderen weer jaloers op en daarom ben ik er uiteindelijk vertrokken. Terug naar Venlo. Dat was niet erg. Ik wilde sowieso niet in Heerlen wonen.”

In het volgende deel komt de start van zijn eigen zaak in Venlo aan bod, maar ook de ontmoeting met zijn vrouw Jeanne en de reden waarom hij nooit Prins Carnaval is geworden.

Terug