Geer van der Veer – deel 2: ‘Heb geej misschien ein veugelke veur op mien hudje’

7 november 2019 | Leestijd: 5 minuten

Het tweede deel van het levensverhaal van Geer van der Veer. Een verslag van een aantal gesprekken die een een jaar of drie geleden plaatsvonden. Daarin vertelt de afgelopen zondag overleden Venlonaar onder andere openhartig over de start van zijn eigen zaak, de kennismaking met zijn vrouw Jeanne en waarom hij nooit Prins Carnaval is geworden.

Tekst: Rob Buchholz | Beeld : Leon Vrijdag

Na zijn vertrek bij V&D in Heerlen werd bij Van der Veer het idee geboren om naast zijn werk als etaleur bij Frits Pasch een eigen zaak met decoratiemateriaal te starten. Een locatie was snel gevonden: de voorkamer van het eigen ouderlijk huis op de Heutzstraat. “Volgens mij was dit ergens rond 1960. Ik was nog geen dertig en woonde nog thuis. Als ik er zelf niet was, verzorgde mijn moeder de verkoop in de winkel. Zeker tegen het einde van het jaar met de verkoop van decoratiemateriaal voor Sinterklaas en Kerstmis deden we prima zaken. De middenstanders in de stad wilden hun winkel fraai versieren en wisten onze zaak snel te vinden. Eigenlijk is het hiermee allemaal begonnen.”

Vogeltje
De echte bloeiperiode van zijn zaak startte een jaar later toen Van der Veer een pand huurde in de Heilige Geeststraat. Een eenvoudige vraag van een klant, wakkerde zijn creativiteit verder aan. “Een mevrouw kwam de winkel binnen en vroeg: ‘Heb geej misschien ein veugelke veur op mien hudje?’ Ik regelde dat vogeltje en dacht direct: dit is een gat in de markt. De Venlonaar ging zich met Vastelaovend steeds fraaier uitdossen en details – zoals een vogeltje op een hoedje – werden plots populair. Ik ben die mevrouw daar nog steeds dankbaar voor; het was een kleinigheidje, maar het was medebepalend voor het succes van de zaak. Het was de start van de verkoop van Vastelaovendspullen. Vogeltjes, bloemetjes,veren, maskers, hoedjes; je kunt het zo gek niet bedenken. De mensen wilden juist die attributen hebben om zich nog leuker te verkleden.”

 

 

De ontmoeting met Jeanne
Door het snel groeiende succes werd het pand in de Heilige Geeststraat al snel te krap. “De gemeente benaderde mij of ik soms interesse had in een nieuw pand op de Jodenstraat. Maar ik had geen geld; alleen schulden. Ik had een droom, een wens en was pas kort zelfstandig bezig. Er was absoluut geen sprake van reservekapitaal.” Door hulp van buitenaf lukte het Van der Veer toch om een pand te kopen. Beneden was de zaak en samen met zijn gezin betrok hij de bovenwoning (waar hij tot aan zijn dood heeft gewoond). “Ja ik was inmiddels met Jeanne getrouwd en onze zoon Joy was geboren. Hoe ik haar heb leren kennen? Jeanne en ik gingen vaak samen dansen, maar wat zij in mij zag?? Echt, ik had geen idee. Zij was heel anders. Toch vormden wij de perfecte combinatie. Ik ben de creatieve man; zij was perfect met cijfertjes. Mijn aparte uitstraling en creatieve geest vond Jeanne juist leuk, maar mijn schoonvader was daar in eerste instantie minder gelukkig mee. Hij hoopte op een degelijke man voor zijn dochter. Ik was alles behalve de ideale schoonzoon. Hij wilde iemand die met cijfertjes werkte of een leraar. Maar ik? Ik was een artiest. Een creatieveling. Uiteindelijk is alles goed gekomen.”

Zoon Joy
Zoon Joy erfde het beste van zijn beide ouders. “Hij is creatief met cijfers,” zo liet Geer weten. “Wij zijn vreselijk trots op hem. Het is een bloedserieuze jongen die je niet in de kroeg zult vinden. Bovendien is het een laatbloeier. Vanuit de lagere school stuurden ze hem naar de LEAO. Hij zou niet zo goed kunnen leren.” Van der Veer was trots op zijn zoon. “Hij heeft nooit opgegeven. Dat is zijn kracht. Uiteindelijk heeft Joy de hoogste opleidingen gevolgd, was professor aan de Universiteit van Rotterdam en is inmiddels internationaal Register Accountant en vennoot van een groot advies- en accountantskantoor.”

Prinsenkamer
Tijdens de gesprekken zat Van der Veer op een plek waar slechts weinigen naar binnen mochten. Slechts enkelen kregen toestemming deze kamer te betreden. Dit was jarenlang zijn domein: zijn Prinsenkamer in combinatie met zijn werkplek. Hier voelde hij zich thuis. Het kloppend hart van het pand waar hij vanaf de jaren 80 zijn winkel had. Op deze heilige plaats waren mantels, mutsen en andere regalia te vinden van toekomstige hoogheden. “Een creatieve geest werkt niet in een perfect opgeruimde kamer. Dat past niet. Zo heb ik ook op de bovenste etage van het pand mijn eigen hoekje. Daar werk ik aan mijn creaties voor hoeden. Niemand mag daar iets veranderen. Alles moet blijven liggen zoals het ligt.”

 

 

 

Geen stadsprins
Wie de ruimtes boven de winkel aan de Jodenstraat kent weet dat Vastelaovend daar nooit ver weg was. “Nee, zeker niet. Voordat de zomer voorbij is, komen hier al weer de eerste bestellingen binnen.” Overigens Vastelaovend. Op de CV van Van der Veer bleef toch één wens onvervuld? Of vergist iedereen zich daar in? Waarom is hij nooit Prins geworden? Van der Veer deed er laconiek over: “Het kon niet. De toenmalige Vors Joeccius XI van Jocus Sef Hendrikx is bij mij op bezoek geweest. Maar dan zou ik in de drukste periode van het jaar mijn eigen zaak in de steek laten. Zeventien dagen niet aanwezig! Nee, echt! Dat was onmogelijk. Niemand is onmisbaar, maar ik kon het niet.” Toch veranderde tijdens het gesprek de serieuze blik in een lach: “Natuurlijk was ik graag Stadsprins geworden, maar daar heb ik heel lang op gehoopt. Haha!”

‘t Hetje
Een pleister op de wonde is misschien wel het feit dat Van der Veer wel bruidegom werd tijdens de Boerenbruiloft van 1972. De organisatie was in handen van Ut Gulden Schinkegilde waar veel winkeliers op en rondom de Jodenstraat en Kwartelenmarkt bij aan waren gesloten. “De organisatie van de Boerenbruiloft bracht de mensen uit onze buurt nog dichter bij elkaar. Dat was een fantastische tijd. Alleen, het enige wat wij misten tijdens de optocht was livemuziek. Er waren toen geen Joekskapellen in Venlo.” Dat zat Van der Veer niet lekker en samen met Jan Leusen – die toen een postzegelzaak op de Jodenstraat runde – ontwikkelde hij het een idee om een muziekgezelschap op te richten. “Meer ondernemers uit de buurt sloten zich hier bij aan. Er was één probleem. Niemand beheerste een instrument of kon noten lezen. Sterker: we hadden niet eens instrumenten. Daarom benaderden we de oud kapelmeester van de Limburgse Jagers Harry Bouguenon om ons te begeleiden. Hij zei ja en in maart 1973 was Joekskapel ‘t Hetje een feit. De instrumenten kochten we en masse in Nijmegen. Repeteren deden we bij Heinz Duisters van Café ’t Schinkemenke en vergaderingen vonden plaats boven de kapsalon van Henk Buchholz. Bouguenon heeft ons veel geleerd, maar tegenwoordig lees ik geen noten meer, maar bespeel ik mijn instrument gewoon op gevoel.”

In het derde en laatste deel komt zijn liefde voor Venlo aan bod, maar ook de mooie en minder fraaie momenten tijdens zijn periode als ondernemer. En vanzelfsprekend sprak Geer van der Veer daarin over het feest waaraan zijn naam voor altijd verbonden lijkt: de Schinkemerret.

Bekijk ons magazine

Blader door onze artikelen in Venlovanbinnenstad