Jean-Pierre Raas: ‘Ik kan de Lomstraat van vroeger nog zo uittekenen’

18 mei 2020

Hij studeerde op de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, werkt in Eindhoven en woont al 30 jaar in Maastricht, maar het Venlo waarin hij opgroeide zal Jean-Pierre Raas (54) nooit vergeten. Zijn ouders waren eigenaar van groentezaak Jacky op de Lomstraat. “Het Vleespaleis, Bedaux, Boitelle mode, Van Eijk, Gebroeders Kuijpers; ik herinner mij die winkels nog allemaal en kan die straat van vroeger tot in detail uittekenen.” Deel vijf uit de serie ‘Kinder van de Venlose Binnenstad’. Over het veilige gezin, kwajongensstreken, een bezoek aan het politiebureau, het Ald Weishoes en meer.

Tekst: Rob Buchholz | Beeld: collectie Jean-Pierre Raas

Jean-Pierre werd geboren op Parade nummer 41, tegenover Bakkerij Van Cleef waar zijn ouders in 1961 een groente- en fruitwinkel hadden geopend. Deze was overgenomen van Piet Pollux. Een aantal jaren later verhuisden zij naar Lomstraat nummer 20. “Venlo is voor mij pure nostalgie. Dat is toch fantastisch. Ik heb echt alleen maar mooie herinneringen aan die stad. Mijn ouders wonen nog steeds in Venlo. Ik bezoek ze regelmatig, dus het is mij bekend dat er veel veranderd is. Maar hoe het ooit was, dat weet ik nog precies. De hele stad was voor ons als binnenstadkinderen één groot speelterrein.”

Veilig gevoel
Samen met zijn ouders, broer Michiel en zus Christianne woonde hij boven de groentezaak. Jean-Pierre herkent het fijne en veilige gevoel uit eerdere verhalen van andere kinderen uit de binnenstad dat vader en moeder altijd thuis waren. “Tussen de middag aten we gezamenlijk de warme maaltijd en als we rond 4 uur uit school kwamen, had moeder altijd de koffie klaar en maakte alle tijd om even met ons de schooldag door te nemen. Vader stond beneden. Ze waren er altijd. Dat veilige, warme gevoel kun je niet omschrijven, dat moet je als kind ervaren hebben. Daarna speelden we op straat, soms tot wel half acht want dan waren onze ouders pas klaar met opruimen van de winkel. Pas dan was het avondeten klaar.” De naam van de winkel, Jacky, waarom is die gekozen? “Die is door moeder bedacht. Ik denk door de Amerikaanse invloeden uit de jaren 60. Omdat moeder door het zware werk gezondheidsklachten kreeg zijn ze in 1991 met de zaak gestopt.”

Jean-Pierre Raas op de Parade, begin jaren 70.

 

Paradijs
De binnenstad als groot speelterrein. Tikkertje bij V&D, Geerlings was een groot paradijs, voetballen in het Rosarium en Julianapark, winkeltje spelen bij de diverse zitbankjes in de binnenstad en natuurlijk parkeerwachtertje spelen op de diverse open plekken in de binnenstad. Daar waar nu de Maaspoort staat of ooit het oude stadskantoor gevestigd was. “Met vrienden wees ik de Duitse kooptoeristen de weg naar een open plek. Wij dat waren onder andere Gerard Dielen, Pascal van Ophoven, Toine Schreinemachers, mijn broer en ik. Dan kreeg je wel eens Deutsche Mark als beloning. Maar we kropen ook bij V&D over de grond om onder kassa’s naar geld te zoeken. Was de opbrengst van een dag royaal, dan kocht ik een Suske en Wiske boek bij Kortooms op de Klaasstraat. Viel het bedrag wat lager uit dan kochten we snoep bij Bensdorp. Met een paar kwartjes of een D-Mark kon je al een zak vol krijgen.”

Politiebureau
Een andere favoriete plek voor Jean-Pierre en zijn vrienden was Brouwersplaats, de plek achter de zaak en woning van de familie Raas. “Via lantaarnpalen klommen we naar boven en dan zweefden we over de daken en terrassen van woningen gelegen aan de Lomstraat. We schoten stiekem met van die plastic buizen witte besjes naar het winkelend publiek. Ja en gooiden zelfs met waterballonnen. Hahaha. Totdat mijn vader daar lucht van kreeg. Hij was niet streng, maar toen was de lol snel voorbij.” Ook werden Jean-Pierre en zijn broer een keer door de politie opgepakt. Het was de tijd dat de voormalige Arsenaal parkeergarage gebouwd werd. “Die locatie was eigenlijk best gevaarlijk en alleen toegankelijk voor mensen die bij de bouw betrokken waren. Wij renden echter de zandbergen op en rolden naar beneden alsof er niets aan de hand was. Ondanks een aantal waarschuwingen bleven we doorgaan. En toen stond plotseling de politie voor onze neus. Dat was niet eens zo heel vreemd. Het bureau lag toen nog om de hoek (Lohofstraat). Geloof me als ik zeg dat je het als kind vreselijk vindt als een agent je meeneemt. Op het politiebureau kregen we een indrukwekkende speech en een standje, maar mochten toch weer naar buiten. Nee, dat hebben we onze ouders natuurlijk niet verteld.”

Fikkie stoken
Het kattenkwaad bleef niet beperkt tot waterballonnen of een kort bezoekje aan het politiebureau. Ernstig werd het nooit, maar Jean-Pierre kan zich nog twee voorvallen herinneren waar niet iedereen blij mee was. “Achter het pand waar vroeger het Dagblad voor Noord-Limburg gevestigd was, lag een braakliggend terrein. In een hok stonden oude kranten opgestapeld en wij namen op een avond een hele stapel mee. Het was hartje winter, stervenskoud en het was ons doel om fikkie te stoken. Dat deden we bij de muur van de Joriskerk. Helaas, werd het brandje iets groter dan gedacht. Het begon met een paar kranten, maar ze vlogen allemaal in brand. Nee, tot ernstige gevolgen of schade heeft dit gelukkig niet geleid, maar we waren wel even van slag.”

Water in de kelder
Rond zijn tiende jaar was Jean-Pierre lid van de Welpen. Heitje voor karweitje dus. “Ja, we wilden graag iets bijverdienen, maar op de Deken van Oppensingel stuurde een man ons redelijk bot weg. Dus wilden wij wraak nemen. Buiten lag een tuinslang, die stopten we in de opening van het keldergat en draaiden de kraan open. Vervolgens liepen we weg. Bijster slim waren we toen nog niet, want een half uur later liepen we weer in de buurt van dat huis. Mensen die buiten stonden, riepen: daar zijn die rotjongens. Ze renden ons achterna en we werden gepakt. Wat bleek. Lag in die kelder de uitzet van de dochter des huizes opgeborgen. Zij stond op het punt te gaan trouwen. Ja, toen is er wel een telefoontje naar onze ouders gegaan en die waren vanzelfsprekend niet blij met die actie. Hoe het precies is opgelost, weet ik niet meer, maar volgens mij is er een soort van schadevergoeding betaald.”

Klassenfoto Sint Martinusschool

 

Ald Weishoès
Bijzondere herinneringen heeft Jean-Pierre aan ’t Ald Weishoès. “Ja dat was een fantastische plek om te zijn. Een aantal jaren was ik daar lid van de TD (Technische Dienst). Lekker knutselen, repareren en ontdekken. Bij Elektro Jacobs op de Kwartelenmarkt stond een grote container op de binnenplaats waar zij oude rommel in deponeerden. Printplaten, oude speakers en meer van dat. Materiaal dat wij weer konden gebruiken op de TD. Om mee te oefenen. Tevens was ik lid van de ping pong club van het Weishoès. Daar heeft Fred Pleunis mij nog uitstekend les gegeven. Het grappige is dat een aantal jaren later Fred een collega van mij bij de bank werd. Nee Vastelaovend vierde ik niet bij het Weishoès. Zoals gezegd was ik lid van de Welpen en dus veel daar aanwezig. Ja, als mannetje van twaalf nippend aan mijn eerste Sneeuwwitje (7-up met een scheutje bier, red) voelde ik mij heel stoer. Hahaha.”

Meisjes kijken
Een aantal jaren later, toen Jean-Pierre inmiddels op het Thomascollege zat, begonnen de jaren van het echte stappen. “Volgens mij begon ik met klasgenoten bij Brasil op de Picardie. Ons eerste biertje. We durfden niets. Stonden aan de rand van de dansvloer naar de meisjes te kijken, maar durfden er geen een aan te spreken. Hahaha. Dat is later wel veranderd, maar er ging een nieuwe wereld voor ons open. Mijn vrienden van het Thomascollege parkeerden hun fiets achter onze zaak. Dan liepen we rond negen uur door de winkel zo bij de Gouden Tijger naar binnen. Ja, dat was toen een normale tijd om op stap te gaan. Natuurlijk bezochten we ook de Galerie, het Zwijnshoofd, de Loco. De hele stad was eigenlijk één groot uitgaansgebied. We gingen op donderdag, vrijdag, zaterdag en als het even kon ook nog op zondagmiddag op stap. Je kende iedereen en iedereen kende jou. Gouden jaren noemen ze dat dan. En dat waren het zeker.”

Palmhöltje optocht 1971 Parade.

 

Veel bakkers en slagers
Dat iedereen elkaar kende had ook consequenties, zo herinnert Jean-Pierre zich. “Omdat je kind was van een middenstander betekende dat volgens onze ouders dat we rekening moesten houden met vele andere winkeliers. Dus op zaterdag boodschappen doen, was meer dan even naar de bakker of de slager gaan. In het centrum bulkte het toen nog van bakkers en slagers. Dus broodjes haalde ik bij ’t Soete Huis. Het witbrood bij Rutten op de Parade, maar ook Bakkerij Rutten (geen familie) op de Lomstraat moesten we te vriend houden. Hetzelfde ritueel speelde zich af met slagers. Feijen op de Klaasstraat, Dielen langs het stadhuis, Schreinemachers in de Gasthuisstraat. Overal werd iets gekocht en al die ondernemers wisten: dat is die jongen van Jacky. En dus kochten die winkeliers ook weer een deel van hun groenten en fruit bij ons. Ook dat was een onderdeel van de saamhorigheid. Hoewel ik dus al ruim 30 jaar weg ben uit Venlo, denk ik nog steeds met heel veel plezier aan die jaren terug.”

Terug