Peter Croonen, al 60 jaar een tevreden kapper

3 september 2020

Op 1 september 1960 werd de Venlose kapper Peter Croonen 14 jaar, een dag later stond hij, in korte broek, tussen zijn vader en opa in hun kapperszaak hand- en spandiensten te verrichten. Zestig jaar later is hij nog steeds actief. “Mijn klanten en ik, we zijn inmiddels een beetje familie.”

Tekst: Jac Buchholz | Beeld: VenloVanbinnen

Met een vader en opa als kapper was het bijna vanzelfsprekend dat ook Peter Croonen als derde generatie in het kappersvak zou rollen. Hij knikt: “Ja, je had in die tijd nog geen beroepenadvies, onderzoeken naar waar je talenten lagen. Dus ik heb er nooit echt over nagedacht. Het leek vanzelfsprekend. Onze zaak lag aan de Nieuwstraat, de woning erachter. Ik kwam dus altijd door de kapsalon bij het naar binnen en buiten lopen. Je mocht destijds op je veertiende van school. Dus de dag na mijn veertiende stond ik in de kapperszaak van pap en opa om me het vak eigen te maken.”

Op de bühne
Eigenlijk wilde hij vervolgens op de ULO het Middenstandsdiploma behalen. Dat liep echter anders. “Broeder Adrianus van de Martinusschool, die op bezoek was geweest om naar mijn toekomst te vragen, vond dat niet nodig. Dat ging ook met een avondopleiding bij het Thomascollege, gaf hij aan.” Dat betekende een volle agenda voor de jonge Peter want op woensdagavond ging hij eveneens naar de Kappersschool. Hij lacht: “Die zat toen in het Bondsgebouw, aan de Herungerstraat, in de zaal. De paar herenkappers zaten op de bühne, de dameskappers, de meerderheid, in de zaal. Gewerkt werd aan lange tafels met spiegels erop.” Later, vertelt Peter, verhuisde de kappersschool naar de Venlonazaal. Waar de zaal op dezelfde manier werd benut.

Minderjarig
Vervolgens ging hij volwaardig aan de slag in de kapperszaak van opa en vader Croonen. Nee, hij heeft nooit ergens anders een leerperiode gehad. “Ik denk dat ik daarom later altijd alleen ben blijven werken. Met familie is toch anders dan met collega’s en collega’s was ik niet gewend.” Nadat kort na elkaar zijn vader en grootvader waren overleden, runde Peter de zaak alleen. Kleine bijkomstigheid, hij was nog minderjarig. “We hebben de kapsalon toen maar op de naam van mijn moeder gezet, dat was de gemakkelijkste oplossing.”

Lange haren
Aan klandizie was er geen gebrek, herinnert hij zich die beginperiode. “Ik was de jongste kapper in de stad, trok veel jeugd. Ja, ondanks dat lange haren in de mode waren. Onder meer omdat de rector van het Thomascollege van tijd tot tijd controle hield. Waren je haren te lang dan kwam je er niet in, die moesten eerst bij mij worden geknipt. Regelmatig was het stervensdruk. Wie het laatst kwam, zag die dag geen school meer.”

Mannenpermanent
Na de periode van lang haar kwam die van het korte haar. En de mannenpermanent. Een techniek die een herenkapper meestal niet onder de knie had, vertelt Peter. “Dus gingen mannen naar dameskappers die vervolgens die heren eveneens gingen knippen. Ik heb toen bijscholing gevolgd om eventueel ook dames de haren te kunnen doen, maar uiteindelijk was dat niet nodig en kon ik me op de heren blijven richten.”

Smal
Peter was inmiddels getrouwd met Jeanne en met zijn zaak verhuisd naar de Jodenstraat. Dat had wat voeten in aarde, weet hij nog. “Het was ergens richting halverwege jaren zeventig. Moeder was uit de woning aan de Nieuwstraat vertrokken; Jeanne ik woonden er. Op een dag kregen we het aanbod het pand te kopen. We wisten al snel, dat gaan we niet doen. Het was een heel diep, maar smal, zo’n 2,5 meter, gebouw, met de woning erachter en daar een klein binnenplaatsje bij. Daar was met de beste wil van de wereld niets van te maken.”

Jodenstraat
Dus zette het jonge echtpaar een advertentie in de krant: winkel met woonruimte gezocht. Geen reactie. Maar, zo wist Peter, aan de Jodenstraat lag nog een perceel braak. Daarop zouden ze zelf gaan bouwen. “Neem van me aan, dat was geen gemakkelijke beslissing. Als Jeanne niet had doorgezet had ik het niet gedaan.” Ze deden het wel en daarom werkt Peter tot de dag van vandaag in die kapperszaak met dat authentieke interieur dat na 45 jaar nog altijd niet is veranderd. Hij lacht: “We wilden eigenlijk een boerderij in de binnenstad, maar die was er natuurlijk niet. Ik wilde echter wel een karakteristiek kappersinterieur, met tevens gewelven, baksteen en typische hoge ramen met daarop ‘Peter Croonen, coiffeur’, zoals mijn opa dat vroeger ook had, in het pand waar hij begon aan de Beekstraat.” Dus werkt hij anno 2020 nog steeds in hetzelfde interieur als waarmee zijn grootvader diens kapperszaak in 1909 begon.

Vaste klantenkring
Met het op verzoek van diverse klanten plaatsen van een grote tafel uit de oude zaak was het interieur compleet. “Nee, jeugd trek ik er niet meer mee – wel toeristen die het leuk vinden. Ik heb een vaste klantenkring, sommigen komen al vanaf het begin bij me, anderen jarenlang. Het is net familie. We vertrouwen elkaar veel toe.”

Serenade
In die Jodenstraat kwamen Peter en Jeanne terecht in een dynamische straat, met een nog jonge winkeliersvereniging, ’t Gulde Schinkegilde, en veel ondernemers die lid waren van V.S.O ’t Hetje. “Ja, een prachtige tijd. Er werd veel georganiseerd. Met ’t Hetje kwamen we om de haverklap bij elkaar om ergens een serenade te brengen.” Het was ook de periode van de eerste Schinkemert, merkt Peter op. “Nee, ik was niet bij de organisatie betrokken, verrichtte wel af en toe hand- en spandiensten. Zo werkte ik ook op de kazerne. Daar hadden ze een podium voor bij militaire parades. Heb ik gevraagd of we dat podium konden lenen voor de Schinkemert. Dat was dus het eerste podium op de Kwartelenmarkt.”

Saamhorigheid
Er is sindsdien veel veranderd, al ziet Peter ook wel overeenkomsten tussen toen en nu. “Grootste verschil is dat tegenwoordig de ondernemers nauwelijks meer bij hun winkel wonen. Dat je elkaar vroeger ook buiten werktijd zag, van tijd tot tijd optrok zoals bij een activiteit of met ’t Hetje zorgde voor veel saamhorigheid. Je kende vaak ook ieders achtergrond, de familie.” Ja, ook nu is er zeker in een straat als de Jodenstraat nog altijd sprake van saamhorigheid, stelt hij. “Maar je kent elkaar toch minder goed.”

Schminken
Dan komen we bij een bijzondere nevenactiviteit van hem: het schminken. Hoe is dat ontstaan? “Tijdens mijn opleiding moest ik onder meer kapsels tekenen. Daar tekende ik ook gezichten bij. Dat ging me bijzonder goed af, al zeg ik het zelf.” Vond ook een van zijn leraren, een zoon van Sander Selen uit Tegelen, zelf een volleerd grimeur. “Zo kwam ik met Sander in contact. Hij vroeg me of ik hem met de vastelaovend wilde helpen in zijn zaak.”

Stom
Dat wilde hij wel en zo geschiedde. Het was de beginperiode van het uitgebreider en ook creatiever schminken en Peter zag dat ook veel Venlose mensen met de vastelaovend naar Tegelen trokken om zich bij Selen te laten schminken. “Dus kreeg ik op een gegeven moment het verzoek of ik dat niet ook in Venlo, in mijn eigen zaak wilde doen. Heb ik ja op gezegd. Een van de stomste dingen die ik heb gedaan. Sander heeft me veel geleerd maar had me nog zo veel meer kunnen leren. Ja, wellicht tot op professioneel niveau.”

Volkstheater
De vastelaovesvierders in Venlo wisten zijn bestaande kwaliteiten te waarderen zodat Peter ieder jaar met vastelaovend eerst uren stond te schminken voordat hijzelf op stap kon gaan. Dat doet hij echter niet meer. “Nee, alleen nog voor het Volkstheater. Daar schminken met een vast groepje. Doen we al jaren, zoals alle mensen bij het Volkstheater al jaren een hechte groep vormen. Dus zo lang het gaat wil ik dat wel blijven doen.”

Plezier
En heren kappen, dat blijft hij, ondanks dat hij de pensioengerechtigde leeftijd ver voorbij is, voorlopig ook doen. “Ja, het is vertrouwd en zo blijf ik onder de mensen. Veelal mensen die ik, zoals gezegd, al jarenlang ken. Aardige mensen. Ik werk nog dagelijks met plezier. Dus zo lang de gezondheid het toelaat blijf ik nog wel even knippen”, zegt de man die ooit de jongste en nu waarschijnlijk de oudste professioneel werkende kapper in Venlo is.

Terug